![]() |
De taxateur
|
|
|
Als je man dood gaat, kan het gebeuren dat er een taxateur langs komt. Omdat je het goed wilt regelen ten opzichte van de fiscus of omdat - ik noem maar een dwarsstraat - kinderen uit zijn eerste huwelijk er prijs op stellen te weten hoe groot de buit is uitgevallen om naar aanleiding daarvan hun strategie te bepalen. Daarover zou ik verhalen kunnen vertellen, maar nu (nog) even niet.
De taxateur. Hij kondigt aan dat hij om tien uur zal komen en belt om half elf aan. "Het is hier zo'n mooie omgeving, ik heb er mijn gemak van genomen." Je glimlacht vriendelijk. Er is geen goede reden te bedenken de man nu al tegen je in het harnas te jagen. Dan neemt hij zijn bloknoot en wandelt door het huis. Eerst naar de kamer van mijn man waar omwille van de overzichtelijkheid alle op het door de kinderen opgestelde lijstje vermelde kroonjuwelen zijn opgeslagen. De ogen van de taxateur gaan twinkelen wanneer de oude pendule (die tot mijn verrassing op zolder stond en die ik zonder het lijstje nooit zou hebben gevonden) wordt uitgepakt. Zeer fraai, zeer fraai. Hij noteert vierduizend gulden. Dan het tafelzilver. Daar zal ik wel blij mee zijn, veronderstelt hij. Niet echt, eigenlijk. Ook dat lag in een plastic zak op zolder, zelf gebruikten we liever normale messen en vorken die niet over hun toeren raakten door een confrontatie met de afwasmachine. Dan de zeven schilderijen waarvan er drie naar de kids gaan. Ze worden bestudeerd met een loep, er wordt over gewreven (zou dat nou wel verstandig zijn?), mij wordt uitgelegd waarom ze prachtig zijn (oudhollandse zeegezichten; wat was ik blij toen ze na drie jaar in de huiskamer eindelijk uit mijn beeld verdwenen en werden vervangen door collages van door mijn man zelf opgeplakte lucifersmerken - heel wat vrolijker.) De schilderijen lopen behoorlijk in waarde uiteen. Twee van de kinderen mogen blij zijn: hun zijn twee klappers toebedeeld. De deskundige is nu niet meer te houden. Het oude bureau: achthonderd gulden. De krakkemikkige stoel waarvan de veren allang hadden moeten worden vernieuwd: vierhonderd. Een lamp die naar mijn schoonzus gaat: drieduizend. Een koperen kanon voor mijn zwager: twaalfhonderd. En dan de boeken: roept u maar! Terug beneden een kritische blik op de huiskamer. Meubels: niks waard. De 'relaxstoel' die mijn man nog twee weken voor zijn dood noodgedwongen voor bijna drieduizend gulden moest aanschaffen omdat hij alleen daarin enigszins comfortabel kon zitten, doet krap honderdvijftig. Keuken: tachtig gulden. Wasmachine, droger, diepvrieskast: vijftig. Maar wat ziet hij nu (bijna gemist): de verzameling cd's. Honderdvijftig gulden. "Want ze moeten niet denken dat ik niet goed gekeken heb." Na tweeëneenhalf uur neemt de man afscheid. "U bent een gezellige mevrouw," zegt hij en hoewel dat het laatste is dat ik mezelf ooit zou noemen, neem ik aan dat hij het als compliment bedoelt. "En u hebt mooie schilderijen. Als u met mij ook in gemeenschap van goederen zou trouwen, zou ik u nu ten huwelijk vragen." Dat kan er ook nog wel bij.
|
| Copyright © Jeanne Doomen. Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden voor persoonlijk gebruik. |