![]() |
Vreemd gaan
|
|
|
Het begin kon je Arthur niet echt verwijten.
Hij belandde buiten zijn schuld in een bepaalde situatie en de meisjes waren lief voor hem en hij voelde zich ontheemd en van het een kwam het ander.
Arthur is mijn haan. Hij heeft elf hennen. Vier doen niet meer aan seks, vier volgen hem als hun leider (en laten zich treden als de lust hem bevangt) en drie zijn zijn dochters en verzetten zich nu nog als hij ze onverhoeds wil bespringen maar als het lente wordt en ze kuikens willen (en welke kip wil dat niet) hebben ze geen alternatief en gaan ze geheid voor de bijl.
Kippen zijn sneeuwblind. Als er sneeuw ligt, raken ze gedesoriënteerd. Ze weten niet meer wat boven of onder is, zijn zielige hoopjes ellende.
Vandaag lag er sneeuw.
Soms zitten die hennen in mijn tuin.
Mijn hennen jagen de buurhennen weg. Arthur ook. Vieze sloeries, ga naar je eigen tuin, straalt hij dan uit. En maakt zo een prima indruk op de eigen harem.
Vandaag zat hij opeens in de vreemde tuin met vier vreemde meiden.
Zijn eigen hennen - voor zover niet op stok, de oudjes weten wel beter dan met dit weer in de tuin rond te struinen - keken beteuterd toe. Was dat nou hun haan? Hun Arthur?
Aan het eind van de middag zochten ze hun slaapplaats op. Op de houtstapel achter het schuurtje.
Het was al donker toen ik Arthur thuis zag komen. Eerst sprong hij tegen gaas op, toen verstrikte hij zich in een struik. Na twintig minuten moeizaam manipuleren kreeg de sukkel het voor elkaar en betrad de eigen tuin. Alsof hij niet eigenlijk ook nachtblind is en de sneeuw hem ook niet meer deerde vond hij moeiteloos de houtstapel en kroop bij Emma, Susan, Annie en Martina.
Moe van de hele dag leuk spelen met de wilde wijven van hiernaast.
Net als een echte man.
|
| Copyright © Jeanne Doomen. Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden voor persoonlijk gebruik. |