|
beleidsvrijheid
Op 31 oktober 1985 bezoekt Raymond C. (22) een Rotterdamse
discotheek, waar later die nacht moeilijkheden ontstaan omdat een
groepje jongeren met vuurwapens staat te dreigen. Zelf krijgt hij bij
het verlaten van de disco een harde vuistslag in zijn gezicht van een
portier.
Om drie uur 's nachts meldt Raymond zich bij een
politiebureau. Zijn kleding zit onder het bloed, hij houdt een bebloede
zakdoek voor zijn mond. Hij wil aangifte doen van mishandeling. De
wachtcommandant kan Raymond niet goed verstaan, vindt dat hij een
afwezige indruk maakt en concludeert dat Raymond onder invloed van
drugs moet zijn. Hij biedt nog aan de GG en GD te waarschuwen,
maar weigert de aangifte op te nemen. Dat lijkt hem meer een klus
voor de recherche en die is pas om negen uur 's ochtends op het
bureau.
Er blijft bloed uit Raymonds mond lopen en omdat zijn
zakdoek intussen helemaal vol bloed zit, spuugt hij wat bloed op de
grond. De wachtcommandant gelast hem het bloed op te ruimen en zet
hem vervolgens uit het bureau.
Wanneer Raymond een paar uur later nogmaals verschijnt, nu
vergezeld van zijn moeder, krijgt hij opnieuw te horen dat hij om
negen uur terug moet komen. Later blijkt dat Raymond door de
mishandeling een gebroken kaak heeft opgelopen. Daarom kon hij zich
moeilijk verstaanbaar maken.
De Nationale ombudsman is van mening dat Raymond niet had
mogen worden weggestuurd om de volgende ochtend terug te komen.
Als er niemand van de recherche aanwezig was, had volgens de
Nationale ombudsman een ander de aangifte moeten opnemen.
Bovendien was wel tot de wachtcommandant doorgedrongen dat de
mishandeling zich had afgespeeld in de discotheek, waar op dat
moment politie aanwezig was in verband met moeilijkheden. Dat had
een reden te meer moeten zijn om de aangifte direct op te nemen of
ten minste contact te leggen met de in de discotheek aanwezige
politiemensen (88/087).
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit, dus niet alleen het
slachtoffer, mag daarvan volgens artikel 161 van het Wetboek van
Strafvordering aangifte doen. Artikel 163 verplicht
opsporingsambtenaren die aangifte ook op te nemen. De Nationale
ombudsman heeft herhaaldelijk geoordeeld dat op deze regel alleen een
uitzondering kan worden gemaakt wanneer al op voorhand, zonder enig
verder onderzoek, kan worden vastgesteld dat de gedraging niet kan
worden beschouwd als een strafbaar feit (o.a. 94/833). De
politieambtenaar moet dan wel de tijd nemen om zich een beeld te
vormen of dat inderdaad het geval is (89/674).
Iemand die aangifte wil doen, moet zich zelf ook coöperatief
opstellen. Op 10 januari 1992 belt de Amsterdammer B. het
politiebureau met de mededeling: `Dit is een noodsituatie. U moet
onmiddellijk komen. Dit is een noodsituatie. Hij trapt mijn deur in.'
Twee politieambtenaren begeven zich naar het kantoor van de man en
treffen daar B. aan met een jongeman die volgens B. zojuist zijn deur
heeft ingetrapt. De deur is onbeschadigd, de jongeman zit rustig aan
tafel.
B. gaat door met zijn werkzaamheden, verricht handelingen aan
zijn computers en voert een telefoongesprek. Hij vindt dat de politie de
zaak zelf maar moet oplossen. De politieambtenaren vragen daarom aan
de jongeman wat er aan de hand is en horen dat het gaat om een
arbeidsconflict. De bezoeker zou voor B. hebben gewerkt en nog geld
van hem te goed hebben.
De politieambtenaren verlaten het pand en krijgen later te horen dat B.
een klacht heeft ingediend. De zaak geeft de Nationale ombudsman
aanleiding om aan de verplichting tot het opnemen van een aangifte de
voorwaarde te verbinden dat de aangever `medewerking verleent aan de
opsporingsambtenaren en hun alle voor de aangifte noodzakelijke informatie
verschaft' (93/294).
De verplichting de aangifte op te nemen kan ook vervallen wanneer
bemiddeling of hulpverlening meer soelaas lijkt te bieden. De
veertienjarige zoon van mevrouw R. uit Utrecht loopt op 9 september
1989 voor de tweede maal in korte tijd van huis weg en vindt onderdak
bij zijn oom. Deze belt het politiebureau en meldt dat de jongen
terecht is.
Mevrouw R. eist dat de politie haar zoon bij haar broer
weghaalt en wil tegen hem aangifte doen wegens onttrekking van een
kind aan het ouderlijk gezag. De Nationale ombudsman deelt de
mening van de betrokken politieambtenaar dat het opnemen van de
aangifte alleen maar tot escalatie had kunnen leiden en dat
hulpverlening in dit geval meer voor de hand lag (91/450).
De politie heeft volgens de Nationale ombudsman dus een zekere
beleidsvrijheid om aangiften te weigeren en mag met name wanneer ze
meent dat er geen sprake is van een strafbaar feit of dat de aangifte
feitelijk niet juist kán zijn, dit ook tegen de potentiële aangever
zeggen.
Maar te allen tijde moet zij voorkomen dat in zo'n geval haar
opvatting de inzet wordt van een discussie met de persoon die aangifte
wenst te doen. Wanneer die volhardt, moet de aangifte gewoon worden
opgenomen. `Dat,' aldus de Nationale ombudsman, `is ook in het belang
van de geloofwaardigheid van de politie' (94/566).
Ten onrechte werd geen proces-verbaal opgemaakt toen een
elfjarige jongen zittend op een terras in Rheden door een kogel in zijn
borst was geraakt, met als gevolg een bloedende wond en een kneuzing.
Onderzoek ter plaatse leverde niets op, maar de politieambtenaren
adviseerden de moeder wel de volgende dag op het bureau aangifte te
komen doen. De opsporingsambtenaren die de moeder daar trof, zagen
echter met de beste wil van de wereld geen (met succes vervolgbaar)
strafbaar feit in het gebeuren en weigerden de aangifte op te nemen.
Nu zagen ze dat volgens de Nationale ombudsman al wat te
beperkt, aangezien overtreding van de Wet Wapens en Munitie beslist
tot de mogelijkheden behoorde. Maar los daarvan had, nu de collega's
hadden geadviseerd aangifte te doen, uit een oogpunt van
geloofwaardigheid die aangifte ook moeten worden genoteerd (94/185).
|