spacer
Over mezelf
boekomslag
Boeken index

Email

Webdesign
  Jeanne Doomen
Marion Schiphorst

Behoorlijk Blauw is een analyse van tweeduizend rapporten die de Nationale Ombudsman tussen 1982 en 1996 heeft uitgebracht over politieoptreden.
In het boek wordt aan de hand van concrete gevallen nagegaan wanneer dat optreden wel en niet (meer) behoorlijk is.

Dit fragment komt uit het deel over het slachtoffer.

De Aangifte

Opnemen van de aangifte

beleidsvrijheid

Agent Op 31 oktober 1985 bezoekt Raymond C. (22) een Rotterdamse discotheek, waar later die nacht moeilijkheden ontstaan omdat een groepje jongeren met vuurwapens staat te dreigen. Zelf krijgt hij bij het verlaten van de disco een harde vuistslag in zijn gezicht van een portier. Om drie uur 's nachts meldt Raymond zich bij een politiebureau. Zijn kleding zit onder het bloed, hij houdt een bebloede zakdoek voor zijn mond. Hij wil aangifte doen van mishandeling. De wachtcommandant kan Raymond niet goed verstaan, vindt dat hij een afwezige indruk maakt en concludeert dat Raymond onder invloed van drugs moet zijn. Hij biedt nog aan de GG en GD te waarschuwen, maar weigert de aangifte op te nemen. Dat lijkt hem meer een klus voor de recherche en die is pas om negen uur 's ochtends op het bureau.
Er blijft bloed uit Raymonds mond lopen en omdat zijn zakdoek intussen helemaal vol bloed zit, spuugt hij wat bloed op de grond. De wachtcommandant gelast hem het bloed op te ruimen en zet hem vervolgens uit het bureau.
Wanneer Raymond een paar uur later nogmaals verschijnt, nu vergezeld van zijn moeder, krijgt hij opnieuw te horen dat hij om negen uur terug moet komen. Later blijkt dat Raymond door de mishandeling een gebroken kaak heeft opgelopen. Daarom kon hij zich moeilijk verstaanbaar maken.
De Nationale ombudsman is van mening dat Raymond niet had mogen worden weggestuurd om de volgende ochtend terug te komen. Als er niemand van de recherche aanwezig was, had volgens de Nationale ombudsman een ander de aangifte moeten opnemen.
Bovendien was wel tot de wachtcommandant doorgedrongen dat de mishandeling zich had afgespeeld in de discotheek, waar op dat moment politie aanwezig was in verband met moeilijkheden. Dat had een reden te meer moeten zijn om de aangifte direct op te nemen of ten minste contact te leggen met de in de discotheek aanwezige politiemensen (88/087).

Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit, dus niet alleen het slachtoffer, mag daarvan volgens artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering aangifte doen. Artikel 163 verplicht opsporingsambtenaren die aangifte ook op te nemen. De Nationale ombudsman heeft herhaaldelijk geoordeeld dat op deze regel alleen een uitzondering kan worden gemaakt wanneer al op voorhand, zonder enig verder onderzoek, kan worden vastgesteld dat de gedraging niet kan worden beschouwd als een strafbaar feit (o.a. 94/833). De politieambtenaar moet dan wel de tijd nemen om zich een beeld te vormen of dat inderdaad het geval is (89/674).

Iemand die aangifte wil doen, moet zich zelf ook coöperatief opstellen. Op 10 januari 1992 belt de Amsterdammer B. het politiebureau met de mededeling: `Dit is een noodsituatie. U moet onmiddellijk komen. Dit is een noodsituatie. Hij trapt mijn deur in.' Twee politieambtenaren begeven zich naar het kantoor van de man en treffen daar B. aan met een jongeman die volgens B. zojuist zijn deur heeft ingetrapt. De deur is onbeschadigd, de jongeman zit rustig aan tafel.
B. gaat door met zijn werkzaamheden, verricht handelingen aan zijn computers en voert een telefoongesprek. Hij vindt dat de politie de zaak zelf maar moet oplossen. De politieambtenaren vragen daarom aan de jongeman wat er aan de hand is en horen dat het gaat om een arbeidsconflict. De bezoeker zou voor B. hebben gewerkt en nog geld van hem te goed hebben.
De politieambtenaren verlaten het pand en krijgen later te horen dat B. een klacht heeft ingediend. De zaak geeft de Nationale ombudsman aanleiding om aan de verplichting tot het opnemen van een aangifte de voorwaarde te verbinden dat de aangever `medewerking verleent aan de opsporingsambtenaren en hun alle voor de aangifte noodzakelijke informatie verschaft' (93/294).

De verplichting de aangifte op te nemen kan ook vervallen wanneer bemiddeling of hulpverlening meer soelaas lijkt te bieden. De veertienjarige zoon van mevrouw R. uit Utrecht loopt op 9 september 1989 voor de tweede maal in korte tijd van huis weg en vindt onderdak bij zijn oom. Deze belt het politiebureau en meldt dat de jongen terecht is.
Mevrouw R. eist dat de politie haar zoon bij haar broer weghaalt en wil tegen hem aangifte doen wegens onttrekking van een kind aan het ouderlijk gezag. De Nationale ombudsman deelt de mening van de betrokken politieambtenaar dat het opnemen van de aangifte alleen maar tot escalatie had kunnen leiden en dat hulpverlening in dit geval meer voor de hand lag (91/450).

De politie heeft volgens de Nationale ombudsman dus een zekere beleidsvrijheid om aangiften te weigeren en mag met name wanneer ze meent dat er geen sprake is van een strafbaar feit of dat de aangifte feitelijk niet juist kán zijn, dit ook tegen de potentiële aangever zeggen.
Maar te allen tijde moet zij voorkomen dat in zo'n geval haar opvatting de inzet wordt van een discussie met de persoon die aangifte wenst te doen. Wanneer die volhardt, moet de aangifte gewoon worden opgenomen. `Dat,' aldus de Nationale ombudsman, `is ook in het belang van de geloofwaardigheid van de politie' (94/566).

Ten onrechte werd geen proces-verbaal opgemaakt toen een elfjarige jongen zittend op een terras in Rheden door een kogel in zijn borst was geraakt, met als gevolg een bloedende wond en een kneuzing. Onderzoek ter plaatse leverde niets op, maar de politieambtenaren adviseerden de moeder wel de volgende dag op het bureau aangifte te komen doen. De opsporingsambtenaren die de moeder daar trof, zagen echter met de beste wil van de wereld geen (met succes vervolgbaar) strafbaar feit in het gebeuren en weigerden de aangifte op te nemen.
Nu zagen ze dat volgens de Nationale ombudsman al wat te beperkt, aangezien overtreding van de Wet Wapens en Munitie beslist tot de mogelijkheden behoorde. Maar los daarvan had, nu de collega's hadden geadviseerd aangifte te doen, uit een oogpunt van geloofwaardigheid die aangifte ook moeten worden genoteerd (94/185).

JEANNE DOOMEN: Behoorlijk Blauw,
Politieoptreden in Nederland.
Uitgeverij Contact. ISBN 90 254 0569 x.

Dit fragment is uit de eerste druk van juni 1996.

naar begin Copyright © Jeanne Doomen.
Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden
voor persoonlijk gebruik.