|
wat betekent aanhouden
Op zaterdag 31 oktober 1987 om tien voor halfvijf 's middags
doet de bedrijfsleider van een filiaal van Blokker een beroep op de
politie in Hoorn. In zijn winkel is zojuist een diefstal gepleegd. De
daders, een man en een vrouw met een donkere huidkleur, zal hij
beslist herkennen. Van de man geeft hij een nauwkeurig signalement
op. Die heeft een pukkelig of pokdalig gezicht en is gekleed in een
spijkerbroek en een rood jack. De vrouw heeft een boodschappentas
bij zich.
Tien minuten later komt er een anoniem telefoontje binnen: op
het eerste perron van het station staan een man en een vrouw die aan
het signalement beantwoorden. Enkele minuten later plukt de politie H.
en zijn moeder uit de trein van Amsterdam naar Grootebroek.
Omdat de vrouw en haar zoon bij hoog en bij laag volhouden dat ze
niets met een diefstal te maken hebben, stellen de politieambtenaren
voor direct naar de winkelier te rijden voor een confrontatie in plaats
van eerst naar het bureau te gaan. Dit zou een aanzienlijke tijdwinst
opleveren.
Moeder en zoon H. gaan akkoord. De politie rijdt hen naar de
winkelier, deze werpt een blik in de politieauto en zegt dat dit niet de
winkeldieven zijn. Hierop brengen de politieambtenaren moeder en
zoon terug naar het station, bieden hun excuses aan en geven ze wat
geld voor een kop koffie.
De Nationale ombudsman twijfelt niet aan de goede bedoelingen
van de politieambtenaren, maar wijst erop dat zij in strijd met de
wet hebben gehandeld. Ze hebben moeder en zoon H. immers
aangehouden (gearresteerd), en de consequentie van aanhouden is volgens de
wet dat de verdachte zo spoedig mogelijk moet worden overgebracht
naar het politiebureau om daar te worden voorgeleid aan een hulpofficier
van justitie (88/882).
wel bevoegd, toch niet aanhouden
Als iemand wordt verdacht van een strafbaar feit, is de politie
steeds bevoegd over te gaan tot aanhouding, maar van die bevoegdheid
moet zij een matig gebruik maken.
B. zit met een vriend in een café in Breda waar men het met de
sluitingstijden niet zo nauw neemt. De politie zet hen eruit, B. noemt
een van de politieambtenaren `eikel' en wordt aangehouden wegens
belediging van een ambtenaar in functie. Een te zware reactie, oordeelt
de Nationale ombudsman: `Het was beter geweest wanneer de politie de
gewraakte opmerking als een tamelijk onschuldige vorm van baldadigheid
had aangemerkt en overigens had volstaan met een korte en
duidelijke terechtwijzing' (88/065).
Op 20 oktober 1987 valt het twee Deventer parkeercontroleurs
op dat op het Grote Kerkhof drie auto's fout geparkeerd staan. Een van
hen vraagt B., die daar op een steiger aan het werk is, of een van de
auto's misschien van hem is en of hij die even weg kan zetten. B. komt
van de steiger en ziet dat de parkeercontroleur druk doende is een
proces-verbaal uit te schrijven. Hij laat zich ontvallen dat hij dit
`kinderachtig' vindt, waarop er een woordenwisseling ontstaat. De
parkeercontroleur besluit B. aan te houden wegens wederspannigheid
en belediging. Dan breekt de hel los.
`Meneer, blijft u staan, u bent aangehouden,' zegt de parkeercontroleur
en neemt B. vast bij zijn arm. B. antwoordt: `Dat wil ik nog
wel eens zien' en rukt zich los. De tweede parkeercontroleur pakt zijn
wapenstok, twee haastig opgeroepen hoofdagenten mengen zich ook in
de strijd en in het gewoel grijpt B. de eerste parkeercontroleur in zijn
kruis en knijpt hem in zijn ballen. Om hier een einde aan te maken
schopt een van de agenten naar B.'s arm en raakt hem in zijn gezicht.
B. staakt de strijd en wordt geboeid afgevoerd naar het bureau.
De Nationale ombudsman heeft niet kunnen vaststellen of er
formeel gezien voldoende grond bestond om B. aan te houden. Maar
zelfs als dat wel zo was, was die aanhouding `uit tactisch oogpunt
bezien minder juist'. Want: `Indien verzoeker niet was aangehouden,
zou escalatie waarschijnlijk zijn voorkomen. Van politieambtenaren
mag in situaties als deze verwacht worden dat ze zich niet te gauw laten
provoceren door het gedrag van burgers en dat ze niet te gauw tot
aanwending van de hun ter beschikking staande dwangmiddelen
overgaan' (88/517).
aanhouden met ander doel
De Utrechter F. neemt in juli 1988
deel aan een vredesactiekamp bij de vliegbasis Soesterberg en wordt erop
`betrapt' dat de bel op zijn fiets is vastgeroest. Op het fietsen met een niet-werkende fietsbel
staat een boete van f 20,-. Wanneer F. weigert zijn naam te noemen,
wordt hij aangehouden.
Formeel zat de politie goed. De Nationale ombudsman acht het
echter `aannemelijk dat verzoekers aanhouding een ander doel had dan
de opsporing en vervolging van een bijzonder lichte verkeersovertreding' (89/575).
Dat maakte die aanhouding onjuist.
Op 26 mei 1994 zien twee surveillerende politieambtenaren dat
L. en zijn vriend K. in Zaandam op de rugleuning van een ijzeren
bankje zitten met hun voeten op het zitgedeelte. Ze sommeren de
jongens om gewoon op de bank plaats te nemen. L. en K. staan na wat
tegensputteren op.
De politieambtenaren lopen door, kijken even later achterom en
zien dat de jongens opnieuw op de leuning van het bankje hebben
plaatsgenomen. `Wat denk je ervan,' zegt de ene politieambtenaar tegen
de andere. `Ze zitten weer op die bankjes met hun voeten. Wij laten
niet met ons sollen.' De politieambtenaren keren om, trekken L. en K.
van de bank en voeren ze af naar het dichtstbijzijnde politiebureau.
De Nationale ombudsman kan zich een betere reactie voorstellen.
Het ging hier om een klein vergrijp. Als de politie proces-verbaal
had willen opmaken, had kunnen worden volstaan met het opnemen
van de persoonsgegevens: `De aanhouding en overbrenging naar het
politiebureau kon daaraan niets toevoegen.'
Hij sluit niet uit dat de politieambtenaren met de aanhouding
een voorbeeld hebben willen stellen voor andere Zaanse jongens die
daar rondhingen en die ook de neiging vertoonden hun voeten op de
zittingen van de bankjes te plaatsen. Als dat zo is, aldus de Nationale
ombudsman, `moet worden opgemerkt dat de bevoegdheid tot
aanhouding daarvoor niet bestemd is, zodat een dergelijk gebruik dient te
worden afgekeurd' (95/269).
bijzondere omstandigheden
Bij het gebruik van dwangmiddelen moet in beginsel worden
gekozen voor een werkwijze die voor de verdachte het minst bezwarend is.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte kunnen de
politie daarom soms - tijdelijk - van een aanhouding doen afzien.
Dat deed zich voor bij de directeur van de basisschool die op 21
december 1987 wordt aangehouden omdat hij in de jaren 1979-1980 en
1985-1986 een bedrag van negenduizend gulden zou hebben verduisterd dat bestemd
was voor de zending.
Wanneer hij wordt opgehaald door de politie van Zuidhorn, vertelt hij dat hij ziek is.
Een arts constateert de volgende dag koorts en bronchitis. De Nationale ombudsman: `Ziekte
behoeft op zichzelf niet aan een aanhouding en inverzekeringstelling in
de weg te staan, mits de politie in overleg treedt met een arts.
Politieoptreden moet echter wel voldoen aan het criterium van evenredigheid
en gematigdheid.'
De directeur van de basisschool ging ondanks zijn ziekte
vrijwillig mee naar het bureau. Daaruit kon de politie afleiden dat hij
in beginsel zou meewerken aan het onderzoek. `Het was onjuist,' vindt
de Nationale ombudsman, `dat de politie verzoeker aanhield, zonder
eerst na te gaan of het onderzoek kon worden afgerond op basis van
vrijwillige medewerking van verzoeker' (93/295).
In de zaak van mevrouw A. uit 't Harde die ervan werd verdacht
dat ze samen met een agent uit Elburg steunfraude had gepleegd,
werd in de visie van de Nationale ombudsman eveneens te snel overgegaan
tot aanhouding. Hier hield de politie er onvoldoende rekening mee
dat de vrouw een negen weken oude baby bij zich had die zij borstvoeding gaf
en waarvan ze niet kon worden gescheiden. Insluiting van de
vrouw betekende daarmee automatisch insluiting van de baby (88/429).
|