spacer
Over mezelf
boekomslag
Boeken index

Email

Webdesign
  Jeanne Doomen
Marion Schiphorst

De Hollende Kleurling verhaalt in tien, spannende hoofdstukken over het Nederlandse strafrecht.
Dit fragment komt uit het derde hoofdstuk.

Noodweer

'Ga naar het Javaplantsoen. Daar worden van een woning op de derde verdieping flessen door het raam naar buiten gegooid.' Die opdracht krijgen de surveillerende politiemannen M.L. en C.V. wanneer zij op 12 augustus 1981 door Amsterdam-Oost rijden.

Wanneer de agenten de trap naar de derde verdieping opgaan, trekt V. zijn pistool en laadt dat door, omdat hij vreest dat zij boven in een vechtpartij terecht zullen komen. In de woning zien de mannen een rommelige toestand. Een la ligt op de grond en overal liggen papieren. In de slaapkamer treffen zij een vrouw, Meta Hofman, aan. De vrouw ligt gekleed op bed. Pas nadat zij een paar keer op de schouder is getikt opent zij de ogen. De vrouw maakt een versufte indruk. Geen wonder, zal later blijken. Het alcoholpromillage in haar bloed is 1,48. V. heeft intussen zijn nog steeds doorgeladen pistool teruggestopt in de holster.

Meta Hofman komt overeind, ziet de agenten en vraagt aan V. of zij water mag drinken. V. volgt haar naar de keuken, L. bekijkt intussen de papieren op zoek naar iets waaruit de identiteit van de vrouw kan blijken. In de keuken ziet V. dat de vrouw opeens een aardappelschilmes in de hand houdt. 'Ik steek je kapot,' zegt zij. V. trekt zijn dienstpistool en sommeert Meta Hofman het mes neer te leggen. Wanneer de vrouw niet reageert, lost hij een waarschuwingsschot in het plafond. Geen reactie. Opnieuw zegt V. de vrouw dat zij het mes weg moet doen. Nu doet zij een stap naar voren, met het mes in de linkerhand op V. gericht.

De agent doet een stap achteruit en belandt tegen zijn collega, die intussen ook de keuken is binnengekomen. V. voelt zich ingesloten en schiet op de vrouw die nu op anderhalve meter van hem afstaat. De vrouw wordt in het hart getroffen en overlijdt vrijwel onmiddellijk.

Wanneer agent V. zich voor de rechter moet verantwoorden, beroept hij zich op noodweer. Het spijt hem verschrikkelijk, maar hij had toen het erop aankwam geen andere keus. In die stelling vindt V. het Amsterdamse gerechtshof aan zijn zijde. Het hof overweegt onder meer dat toen de vrouw aanviel, de agent niet meer terug kon en acht het aanvaardbaar dat een politieman zich in een dergelijke situatie niet terugtrekt, maar tracht met de middelen die hij heeft de crisis te bezweren. Aangezien deze agent niet geoefend was in conflictoplossing, noch in het gebruik van de korte wapenstok of in het met de hand afweren van een aanval met een mes en hij ook al nauwelijks schietervaring had, is het hof bereid aan te nemen dat hij in noodweer heeft gehandeld.

Een beroep op de Hoge Raad door de vertegenwoordigster van het Openbaar Ministerie brengt geen soelaas. Ook het hoogste rechtscollege is - anders dan zeer velen die zich intussen tegen de zaak hebben aan bemoeid - van oordeel, dat bij de beoordeling van een noodweersituatie ook de 'capaciteiten van degene die zich op noodweer beroept' mogen worden betrokken (HR 1 maart 1983, NJ 1983, 468).

De Meta Hofman-zaak heeft van alle noodweerarresten door zijn grote aanvechtbaarheid de meeste stof doen opwaaien. Het is deze casus die strafrechtjuristen heeft geïnspireerd nog eens uitgebreid op papier te zetten wat noodweer - ofwel het rechtop zelfverdediging - nu eigenlijk wel en vooral ook niet is, waar de grenzen liggen en hoe de overschrijding daarvan moet worden beoordeeld.

De wet omschrijft noodweer als een handeling die is 'geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.'

Noodweer wordt genoemd een 'rechtvaardigingsgrond'. Dat betekent dat wie in noodweer handelt volgens het recht juist handelt en dat ieder ander, die in een vergelijkbare situatie op dezelfde wijze optreedt, erop mag vertrouwen dat ook hij van de rechter gelijk krijgt. Het is een soort eigenrichting die toelaatbaar is in zeer dringende omstandigheden wanneer de overheid en zijn organen niet de op dat moment noodzakelijke bescherming kunnen geven. Het moet daarbij in ieder geval gaan om een concrete, echte aanval. Alleen de angst dat een dergelijke aanval zal volgen, rechtvaardigt niet dat iemand zelf alvast tot agressie overgaat.

Op 7 december 1930 treffen twee ruziënde buren elkaar in Westbroek bij het hek tussen hun erven. J.H. heeft zich voorzien van een bijltje, zijn vijand Johannes van Sikkelerus heeft in de ene hand een moker en in de andere een stuk ijzer. Wanneer de mannen later door de politie worden ondervraagd, verklaart elk van hen dat hij net op weg was om het hek te repareren en daarom wat gereedschap had meegenomen.

H. meent echter dat Van Sikkelerus een dreigende houding aanneemt en besluit de man voor te zijn door hem een mep te verkopen met het bijltje. Van Sikkelerus raakt hierdoor bloedend verwond.

H. krijgt een boete van vijfentwintig gulden. Zijn verhaal dat hij in noodweer heeft gehandeld, maakt op de rechters weinig indruk. De enkele vrees dat men zal worden aangevallen, is volgens de Hoge Raad (HR 8 februari 1932, NJ 1932, p. 617) nog geen rechtvaardiging om zelf vast tot de aanval over te gaan, 'daar een dreigende houding bij een bedreiging kan blijven.'

Veertig jaar later lijkt de Hoge Raad zijn standpunt te nuanceren. Het gaat dan om een 24-jarige autohandelaar die in Geldermalsen op kamers woont bij de eigenaar van een sekshuis. De bordeelhouder heeft een zakelijk conflict met zijn ex-compagnon en vreest dat deze met zijn broer verhaal zal komen halen.

In de tijd dat de autohandelaar daar een kamer huurt, wordt er enkele tientallen keren opgebeld door figuren die hun naam niet noemen maar iets roepen als 'We komen wel eens langs, jullie hebben nog een bezoek tegoed'.

In de nacht van 22 op 23 augustus 1973 hoort de autohandelaar glasgerinkel en stemmen. Hij pakt van onder zijn bed een geladen flobertgeweer en gaat de gang op waar hij in het halfduister op enige afstand drie hem onbekende mannen ziet staan. 'Wat moeten jullie hier, maak dat je wegkomt', roept de autohandelaar. Een van de mannen loopt door in zijn richting. Ook twee waarschuwingsschoten voorkomen niet dat de man nog een stap doet naar de bewoner van het pand. Doodsbang haalt die nogmaals de trekker over, lost een schot in de richting waar de indringer staat en schiet de man van een afstand van vijf meter dood.

De Hoge Raad is bereid hierin een noodweersituatie te zien en beschouwt, evenals het hof, het 'onmiddellijk dreigend gevaar' voor een wederrechtelijke aanranding als even noodweer-waardig als een daadwerkelijke aanranding zou zijn geweest (HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322). Met betrekking tot de telastegelegde doodslag wordt de autohandelaar ontslagen van rechtsvervolging. Het verboden vuurwapenbezit komt hem wel op een gevangenisstraf van vier weken te staan.

Annotator Van Veen vermoedt, dat in dit geval noodweer is aanvaard, omdat de autohandelaar werd belaagd in het eigen huis. In een ander geval, waar een bewoner een indringer met een baco-sleutel te lijf ging, kon de Hoge Raad zich er echter ook in vinden dat het hof in die zaak het beroep op noodweer had verworpen (HR 7 mei 1974, NJ 1974, 300). Vermoedelijk speelde mee, dat daar 'slechts' de huisvrede werd bedreigd en er geen tekenen waren dat degene die onverhoeds binnenkwam van plan was de bewoner aan te vliegen of zijn spullen te stelen. Er was daar, met andere woorden, geen wederrechtelijke aanranding van eens anders lijf of goed.

Of er werkelijk sprake is van een (dreigende) aanranding wordt door de rechter getoetst aan objectieve maatstaven. Op 25 maart 1987 krijgt de 49-jarige Eugene V. op Schiphol een woordenwisseling met Yvonne H. De man is ervan overtuigd dat Yvonne onder invloed staat van 'zwarte kracht' en dat als zij hem aanraakt, ook hij onder invloed van 'zwarte kracht' zal komen te verkeren. Om te bewerkstelligen dat Yvonne uit zijn buurt blijft, zegt V. tegen haar: 'Je moet oprotten, anders steek ik je kapot'. Het Amsterdamse gerechtshof veroordeelt de man wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk en een boete van driehonderd gulden.

Eugene V. laat het er niet bij zitten en vertelt bij de Hoge Raad dat het hof ten onrechte zijn verweer, dat hij in noodweer heeft gehandeld, heeft verworpen. Dat ziet hij volgens de Hoge Raad (HR 18 september 1989, NJ 1990, 291) verkeerd: het optreden van Yvonne H. was namelijk 'in redelijkheid beschouwd' niet zodanig bedreigend voor V., dat hij er met een beroep op noodweer iets tegen mocht doen.

Annotator prof. mr. A.C. 't Hart is niet onverdeeld gelukkig met de uitspraak. Hij wijst erop dat de verdachte, een Surinamer, vanuit zijn culturele achtergrond de dreiging van de 'zwarte kracht' wel degelijk als zeer reëel kan hebben ervaren en acht het onjuist de vraag naar de 'redelijkheid' in een zaak als deze alleen te toetsen aan de dominante, autochtone cultuur.

JEANNE DOOMEN: De Hollende Kleurling,
Het Nederlandse strafrecht in tien verhalen.
Uitgeverij Contact. ISBN 90 254 0019 1.

Dit fragment is uit de vijfde druk van april 1996.
De zesde druk verscheen in april 1998 en
een geactualiseerde zevende druk komt in mei 1999.

naar begin Copyright © Jeanne Doomen.
Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden
voor persoonlijk gebruik.