


Jeanne Doomen
Marion Schiphorst
|
Het creatieve proces kan prachtig zijn. Opeens is er een idee voor een artikel.
Even later borrelen de variaties en de invalshoeken op die het stuk tot een
prijspaardje zullen maken. De computer gaat aan, de woorden komen als
vanzelf, één enkele correctie volstaat om het geheel nog mooier te maken. Je
mailt het artikel naar je opdrachtgever, die springt een gat in de lucht en
plaatst het direct op de mooiste plaats in de krant. Ah, zucht je voldaan
wanneer je de krant openslaat, daar staat nou mijn geestelijk eigendom.
Eerlijk gezegd schiet me niet direct te binnen wanneer het mij voor
het laatst zo is vergaan. Want hoe gaat het meestal? Er belt een opdrachtgever
met de vraag of je artikel zus of zo kan schrijven. Je praat wat heen en weer
over de bedoeling en de uitwerking en gaat aan de slag. Of je hebt wel zelf
een idee, belt een hoofdredacteur, legt het voor en krijgt te horen dat het
idee "best aardig" lijkt, maar dat het eerst in de redactievergadering moet
worden besproken en dat je dan nader hoort. Waarna de kans groot is dat je
best aardige idee geaccepteerd wordt mits je toch vooral niet vergeet aspect x
of y erbij te betrekken.
De volgende fase in mijn creatieve proces is dat ik materiaal ga
verzamelen. Wat in die periode over 'mijn' onderwerp in de krant staat wordt
uitgeknipt en in een mapje gedaan, boeken die mogelijk een interessant licht
op de kwestie zouden kunnen werpen vis ik uit de kast en belanden op een
stapeltje, nieuwe boeken schaf ik zo nodig aan. Ik vertoef uren op Internet,
want je weet maar nooit wat je daar weer kunt vinden. Dan graaf ik me in en
laat ik me inspireren. Want dat is zo aardig aan het Nederlandse auteursrecht:
overschrijven mag niet, maar het inspiratierecht is vrij.
Intussen zeur ik nog aan tegen iedereen die mogelijk iets zinnigs over
het thema kan zeggen. Ik laat proefballonnetjes op, ik probeer openingen uit,
bepaalde wendingen, een geestig slot. Niet dat dat vaak iets oplevert, maar
ook de wat geïrriteerde toehoorder wil nog wel eens ondanks zichzelf net die
opmerking maken waardoor een blokkade wordt doorbroken. Dit alles bij
elkaar maakt me tot een kruising van een 'koffiedrinker' en een
'verzamelaar', las ik in een aardig artikel waaruit ik en passant wat inspiratie
heb geput.
Dan het schrijven zelf. We kunnen er gevoeglijk van uit gaan dat wie
een fatsoenlijk stuk wil afleveren er niet mee kan volstaan de
spellingcontrole over de eerste versie heen te jagen, maar er goed aan doet
ook zelf nog eens kritisch naar het verhaal te kijken. Of te laten kijken. Zelf
leg ik alleen als ik werkelijk niet kan inschatten of een verhaal duidelijk is
een stuk aan een mee-lezer voor. En dan nog wil ik alleen zeer marginale
kritiek. Dit maakt mij volgens het al eerder aangeduide artikel tot - even
slikken - een 'applausvrager'.
Ik ken ook collega's die het heel anders doen. Die zich er niet voor
generen een zeer prille versie met spel- en tikfouten, kromme zinnen en niet
te volgen gedachtensprongen bij iemand op een bureau te dumpen met het
vriendelijk verzoek er iets moois van te maken. Waarna een behulpzame
collega zich inspant om de in wartaal verpakte boodschap te doorgronden,
soms in een gesprek duidelijk maakt wat er anders kan, en soms maar direct
zelf aan de slag gaat om het geheel te fatsoeneren.
Deze journalisten kun je typeren als 'verspreiders': ze zetten alles snel
op papier, leggen kladversies voor aan anderen en verwerken hun
commentaar grondig. Ze zijn slordig, vergeten vaak dingen en wekken de
indruk anderen het werk te laten doen. Hoezo, 'geestelijk eigendom' zou je je
in zo'n geval kunnen afvragen. Waarop de verspreider als-ie slim is zou
kunnen tegenwerpen, dat het ook van een geheel eigen creatief inzicht
getuigt om te bedenken wie je het beste op welke manier voor je karretje
kunt spannen. En het gaat er tenslotte maar om dat het eindresultaat goed is.
(Ach, laat ik niet flauw zijn, de typeringen van de verschillende
auteurs komen uit een artikel in het Handboek voor schrijvers 1997 van Niels
van der Mast en Daniël Janssen. En op dit boek werd ik ook weer gewezen
door iemand anders.)
Is het artikel door de journalist zelf eenmaal 'af' bevonden, dan valt
het in handen van een eindredacteur. Als je geluk hebt bedenkt die een
mooie kop voor je stuk en voert hij of zij wijzigingen uitsluitend in overleg
door. Helaas sneuvelt daar toch maar al te vaak die geestige woordspeling
waarvan jij zo blij was dat je hem had gevonden onder een puntig pennetje.
Wat je pas merkt als je het artikel terug ziet in de krant.
En wat is er nu van het 'geestelijk eigendom' van de auteur nog over?
Het verhaal is voordat het geplaatst werd, immers een lange weg gegaan. En
niet zelden heeft de redactie van de krant of het tijdschrift daarbij een
belangrijke rol gespeeld. Bijvoorbeeld door een onderwerp te bedenken en de
opdracht te verstrekken. Door intensief overleg te plegen over de inhoud van
het stuk, door suggesties te doen ('ga eens met die praten', 'heb je dat stuk in
de NRC zien staan') door met de eindredactionele pen door het artikel te
gaan, een pakkende kop en verhelderende tussenkoppen te bedenken. En het
geheel ook nog eens mooi opgemaakt aan de lezer te presenteren.
Op het 'geestelijk eigendom' van de meeste artikelen valt op die
manier heel wat af te dingen. En zou dat geen prachtig extra argument zijn
voor de uitgevers die in de auteursrechtkwestie de hakken nu al zo stevig in
het zand zetten?
Want journalisten stellen in hun ogen toch al weinig voor. Wat schreef
Flip Vuijsje (VNU) op 3 april ook weer op de Forum pagina van de
Volkskrant. Freelancers leverden geen individueel herkenbare produkten af,
maar, aldus Vuijsje, "materialen en onderdelen voor iets dat zijn toegevoegde
waarde vooral ontleent aan het feit dat het een totaalprodukt is. En het is
primair de uitgever die een en ander samenvoegt tot, en aanbiedt als, één
coherent geheel dat veel meer is dan de som der afzonderlijke onderdelen,
zoals een krant of een tijdschrift met een eigen identiteit."
Onzin natuurlijk. Niemand zal ontkennen dat er zonder uitgevers ook
geen kranten en tijdschriften waren en we allemaal knap onthand zouden
zijn als we dan toch ons geld wilden verdienen met het bedrijven van
journalistiek. Maar om journalisten nou af te schilderen als idioten die niet
meer doen dan letterlijk een 'steentje' bijdragen opdat de uitgever het fraaie
bouwwerk tot stand kan brengen, slaat nergens op. We hebben elkaar gewoon
nodig. De journalist de uitgever om zijn of haar werk in een aantrekkelijk
journalistiek produkt gepubliceerd te krijgen, de uitgever de journalist om
dat totaalprodukt zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Maar dit terzijde.
Stel dat de uitgevers behalve het argument, dat voor elke freelancer
die niet direct accoord gaat met het zonder betaling herplaatsen van een
artikel tien anderen zijn, ook zouden aanvoeren dat het bovendien uiterst
dubieus is dat de freelancer wel een recht hééft, omdat diens geestelijk
eigendom betwistbaar is. Zou hij zijn financieel al sterkere uitgangspositie
dan nog eens gesteund weten door het recht? Dat zou dan hooguit een soort
moreel recht zijn.
Voor de auteursrechtkwestie biedt de vraag in hoeverre de journalist
het produkt nou echt (vrijwel) helemaal alleen tot stand heeft gebracht en
dus ook het 'geestelijk eigendom' kan claimen, namelijk onvoldoende
aanknopingspunten. Er valt eenvoudig niet mee te werken.
Want hoe zou je het moeten meten? Opdracht verstrekt aan de hand
van idee van de krant, maar door de freelancer wel geheel zelfstandig en
zonder nader overleg uitgewerkt = geestelijk eigendom (en dus auteursrecht)
voor negentig procent bij de freelancer? En in het omgekeerde geval:
freelancer komt met aardig idee, maar door tips van de redactie wordt een
nieuwe invalshoek ontdekt zodat het verhaal uiteindelijk anders wordt dan
aanvankelijk beoogd. Vijfenzeventig-vijfentwintig? En wie komt die
vijfenzeventig procent dan toe?
En hoe moet je wegen als een verhaal uitzonderlijk fraai is
geschreven en er vrijwel geen komma hoeft te worden veranderd? Brengt dat
een extra tien procent op terwijl deze auteur gezien de overvloed aan door de
redactie aangedragen ideeën anders misschien maar op zestig procent recht
had gehad?
Bovendien is auteursrecht niet alleen een kwestie van geld. De auteur
kan immers ook bedingen dat hij tegen een bepaalde herplaatsing (cd-rom,
Internet) of een bepaalde bewerking bezwaar maakt. En aan een bezwaar dat
gebaseerd is op een via een percentage-berekening vastgesteld
auteursrechtelijk eigendom heb je niet veel als je heel duidelijk 'ja' of juist
'nee' vindt.
Maar we kunnen filosoferen wat we willen, de bescherming die de
Auteurswet biedt is eenduidig. De freelance journalist heeft als 'maker van
een werk' namelijk bij uitsluiting het auteursrecht op dat werk. Dat
overdragen kan hij alleen door daartoe een contract te tekenen. Nergens
bevat de wet een bepaling waarin op het zijn van 'maker van een werk'
nuances worden aangebracht. Misschien omdat de wetgever van 1912 niet op
het idee kwam dat een creatieve geest wel eens hulp van anderen kon hebben
gehad. Of - en dat lijkt me meer voor de hand liggen - omdat ook de
wetgever aan het begin van deze eeuw zich al realiseerde dat met gradaties in
makerschap juridisch niet te werken valt.
Iets anders is dat journalisten zich best meer bewust mogen zijn
hoeveel anderen vaak hebben bijgedragen aan het verhaal dat met hun naam
eronder in krant of tijdschrift belandt. Een reëel inzicht in ons eigen kunnen
kan immers nooit kwaad. En een gulle erkenning dat ons geestelijk
prachtproduct het resultaat is van meerdere helpende handen, doet misschien
iets af aan onze volle honderd procent geestelijk eigendom, maar we kunnen
het ons permitteren: het kost ons niet eens ons auteursrecht.
|