![]() |
Het elektronisch lek in de Auteurswet |
|
|
Dankzij Internet staat het stoffige auteursrecht weer vol op in de belangstelling .
Uitgevers wensen de vrije hand bij hergebruik van journalistiek werk via nieuwe
media Voor veel journalisten is het: wie aan het auteursrecht komt, komt aan ons.
Over de waarde van de Auteurswet in het digitale tijdperk.
De Auteurswet van 1912 heeft het voor de journalist goed geregeld, althans voor de freelance
journalist; over de journalist in loondienst hebben we het later. De zelfstandige journalist heeft
als 'maker van een werk' de exclusieve bevoegdheden om dat werk te verveelvoudigen en
openbaar te maken. Verveelvoudigen is het maken van identieke exemplaren van het werk,
openbaar maken is het ter beschikking stellen van het werk aan het publiek.
Dat klinkt mooi. Maar wanneer je niet van plan bent na het maken van extra prints of kopieën
met je briljante verhaal op. een straathoek te gaan staan om er een gulden voor te vangen, zul
je toch in zee moeten met iemand anders die zich met het aan de mens brengen van je
journalistieke product belast. Aan de horizon ver-schijnt de uitgever die de exploitatierechten
overneemt. Hoe je dat regelt, let nauw. Wanneer de journalist de uitgever toestemming geeft tot
openbaarmaking of verveelvoudiging ven het artikel op een bepaalde wijze of voor een
bepaalde tijd, in de regel tegen betaling, spreekt men van een licentie. Het auteursrecht blijft bij
de maker, hij oefent het zelf uit, hij kan ook zelf optreden bij schendingen, maar geeft een
stukje van zijn bevoegdheid uit handen. Concreet komt dat er gewoonlijk op neer dat de
journalist de uitgever toestemming geeft het artikel eenmaal in een bepaald medium te
publiceren. Het auteursrecht kan ook worden overgedragen, maar dat moet dan volgens artikel 2 van de
Auteurswet wel schriftelijk gebeuren. Overdracht van auteursrecht is immers te ingrijpend om
dat gedachteloos onder het genot van een borrel te doen waarbij de opdrachtgever en passant
suggereert dat je daar 'zeker geen bezwaar tegen hebt'. Licenties kunnen wel mondeling verleend worden en zelfs stilzwijgend. Schriftelijke
vastlegging kan ook daar overigens geen kwaad uit een oogpunt van bewijs. Vermijd dan wel
zorgvuldig het woord overdracht in het contract op te nemen. De journalist in loondienst geeft de vrijheid om over de exploitatie van zijn creatieve werken
te onderhandelen voor het grootste deel op zodra hij een handtekening zet onder het
arbeidscontract. Op dat moment valt de relatie met de werkgever onder artikel 7 van de
Auteurswet. Daarin staat dat wanneer een bepaald werk tot stand is gekomen doordat de
maker arbeid verrichtte in loondienst, het auteursrecht toekomt aan degene in wiens dienst de
werken zijn vervaardigd - 'tenzij tussen partijen anders is overeengekomen'. Het artikel is in 1912 in de wet gekomen omdat de werkgever degene is die de middelen ter
beschikking stelt om door het auteursrecht beschermde producten te maken, terwijl de
werknemer geen dure investeringen hoeft te doen en zijn product ook niet op de markt te gelde
hoeft te maken. Bovendien worden hem ook nog een salaris en sociale zekerheid geboden. Terecht, vond men, was het dan ook de werkgever die verder de economische vruchten van
het gecreëerde werk mocht plukken. Het is dezelfde gedachtengang die de Europese uitgevers anno 1996 volgen om twijfelaars
ervan te overtuigen dat journalisten die een artikel voor een krant of tijdschrift leveren niet
moeten zeuren als hun materiaal ook in een databank, op CD-Rom of op Internet terecht komt.
Zij wijzen erop dat de werknemers het maar goed hebben met hun salaris, vakanties,
ziekteverlof en pensioen. De risico's zijn voor de uitgevers die elke dag beslissingen moeten
nemen over hoe en wanneer ze nieuwe markten zullen opgaan en wat ze zullen doen met
betrekking tot de digitale snelweg. In de woorden van Sir Frank Rogers, voorzitter van de
European Publishers Council: 'It is unreasonable to expect publishers to operate in a system
where employees enjoy full employment benefits and have the right to compete with their
employer at the same time.' Nu valt het met dat 'to compete' in de praktijk wel mee. De dagblad-cao bevat in Nederland
wel een bepaling dat wanneer van een journalistiek product een ander gebruik wordt gemaakt
of als het aan derden wordt verkocht, daar een 'redelijke vergoeding' tegenover moet staan.
Een journalist kan zich ook met een beroep op die regeling om redenen van principiële aard
verzetten tegen de doorverkoop van een artikel. Maar van een woeste concurrentie waarbij
verslaggevers en fotografen zelf met hun producten elders gaan leuren, is geen sprake. Van groot belang is de vraag welke bevoegdheden de journalist nu precies uit handen geeft
wanneer hij in loondienst treedt of wanneer hij met zijn opdrachtgever een contract sluit
waarbij hij zijn auteursrecht overdraagt. Geeft de journalist bijvoorbeeld impliciet toestemming
om zijn verhalen op het net te zetten, wanneer zijn krant daar een site exploiteert? Hoe moet
artikel 2 Auteurswet, waarin staat dat de overdacht alleen de bevoegdheden omvat die in het
contract worden vermeld of daaruit 'noodzakelijk' voortvloeien, op dit punt worden geïnterpreteerd? Volgens advocaat en wetenschappelijk medewerker informatierecht mr.P.B. Hugenholtz
nemen uitgevers al te gemakkelijk aan, dat eenmaal verworven 'papieren' uitgaverechten zich
tevens uitstrekken tot de exploitatie in elektronische vorm. In een artikel in het Nederlands
Juristenblad (NJB 7 april 1995) merkt hij op dat wanneer in het contract geen melding wordt
gemaakt van elektronische exploitaties, ervan moet worden uitgegaan dat dit ook niet de
bedoeling was. Dit geldt zeker voor contracten die zijn gesloten toen de hele digitale snelweg
nog niet speelde. Hugenholtz: 'In het geval van een ongespecificeerde overdracht van rechten impliceert artikel
2 lid 2 Auteurswet dat de uitgever waarschijnlijk slechts zal beschikken over de rechten die hij
voor de destijds - bij het afsluiten van het contract - beoogde exploitatievorm(en) nodig had.
Als de uitgever alleen papieren' tijd-schriften publiceerde, beschikt hij derhalve thans niet over
het recht de gepubliceerde bijdragen op CD-Rom of via het Internet nogmaals openbaar te
maken.' De journalist heeft niet alleen een materieel belang bij de exploitatie van zijn werk. Zelfs
wanneer hij de exploitatierechten geheel overdraagt resteert het persoonlijkheidsrecht of droit
moral van de auteur. Hierbij is 'de integriteit van maker en werk in het geding' zoals mr. M van Lingen (in: Auteursrecht in hoofdlijnen, 1990) het zo mooi omschrijft. Want 'tussen de auteur
en zijn creatie bestaat een persoonlijke relatie, waar buiten-staanders zich niet in dienen te
mengen'. Voor journalisten betekent dit, dat zij met een verwijzing naar artikel 25 van de Auteurswet,
zich ertegen kunnen verzetten als hun naam bij een stuk wordt weggelaten of - erger- die van
een ander bij het artikel wordt vermeld. Ook kunnen zij met een beroep op de wet protesteren
tegen 'elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou
kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze
hoedanigheid'. Dit alles natuurlijk wel binnen de grenzen van de redelijkheid. Want wie een verhaal levert aan
een blad waarvan hij weet dat het de namen van de medewerkers altijd alleen in het colofon en
nooit direct bij de artikelen vermeldt, heeft geen poot om op te staan. En wie stennis gaat
maken omdat er bij het persklaar maken van de kopij een enkele zin is verdwenen of een
tussenkopje een wijziging heeft ondergaan, maakt het zichzelf nodeloos moeilijk. Internet heeft onder auteursrechtdeskundigen geleid tot verhitte discussies over de vraag of
het auteursrecht zoals wij dat nu kennen niet zijn beste tijd heeft gehad. 'Het auteursrecht
spoelt weg door het elektronisch vergiet' is de titel van een bijdrage van prof. mr. E.J.
Dommering hoogleraar informatierecht en advocaat, in het vakblad Computerrecht (1994/3). In dit artikel betoogt hij onder andere dat multimediaal denken voor het auteursrecht betekent
'dat we het onderscheid tussen openbaar maken en verveelvoudigen (...) als principieel
verschillende categorieën moeten loslaten'. Dommering komt vervolgens tot de conclusie dat
wij toe moeten naar 'geheel nieuwe concepten voor de exploitatie van informatie die over
elektronische snelwegen zoeft, en multimediaal aan de gebruiker wordt aangeboden'. Ook Hugenholtz ziet problemen, maar geeft de zieners die het einde van bet auteursrecht
voorspellen, geen gelijk. Integendeel. Hij verwacht dat de digitale werkomgeving, juist omdat
die zoveel technische mogelijkheden biedt om te traceren wie precies welke site aandoet, wel
eens de kans zou kunnen bieden de steeds verdergaande collectivisering van het auteursrecht te
keren. Hugenholtz in het NJB: 'Als die kans benut wordt, gaat het auteursrecht op de
informatiesnelweg niet ten onder, maar terug naar zijn wortels'. Een apart punt is nog wie voor een eventuele inbreuk op het auteursrecht aansprakelijk kan
worden gesteld. Kan bijvoorbeeld de Internet access provider die materiaal doorgeeft
waardoor iemands auteursrecht wordt geschonden, hiervan juridisch een verwijt worden
gemaakt? Begin dit jaar viel publiciste Karin Spaink de eer te beurt als eerste Nederlander wegens haar
homepage voor de rechter te worden gedaagd. De Scientology Church nam haar kwalijk dat zij
werken waarop de sekte het auteursrecht had, zonder toestemming op haar homepage had
gezet. Men eiste dat Spaink en haar provider, XS4all, het materiaal van de homepage zouden
verwijderen. Deskundigen meenden dat Scientology er juridisch bepaald niet gek voorstond. Had de Hoge
Raad tien jaar geleden niet uitgemaakt dat kabelexploitanten, die er tenslotte ook maar op
moeten vertrouwen dat het met de programma's die zij doorgeven auteursrechtelijk goed zit,
toch aansprakelijk zijn als het auteursrecht via hun doorgifte wordt geschonden? En dat de
kabelexploitant zelf aansprakelijk kon worden gesteld als de gedistribueerde programma's
afkomstig waren van opzettelijk op de ontvangstantenne instralende kabelpiraten? Maar het vonnis van de president van de Haagse rechtbank van 12 maart 1996 pakte anders
uit. Karin Spaink had sinds de eerste protesten van Scientology haar homepage drastisch
omgewerkt. Wat er nu nog op stond, kon volgens de rechter worden beschouwd als 'citaten' en
het citeren uit werk van een ander - mits met bronvermelding - staat de Auteurswet in artikel
15A toe. Wie wil weten hoeveel er probleemloos geciteerd mag worden, moet zelf eens gaan
kijken op deze, ook overigens heel interessante, homepage: http://www.xs4all.nl/~kspaink. En wat Xs4all en de andere gedaagde providers betreft, daarvan vond president mr. A.H. van
Delden, dat 'moet worden aangenomen dat zij niet meer doen dan gelegenheid geven tot
openbaarmaking en dat zij in beginsel geen invloed kunnen uitoefenen op of zelfs maar kennis
dragen van datgene wat diegenen die via hen toegang tot Internet hebben gekregen daarop
uitdragen'. Aansprakelijkheid zou volgens de rechter alleen kunnen worden aangenomen 'in een
situatie waarin onmiskenbaar duidelijk is dat een publicatie van een gebruiker onrechtmatig is
en waarin redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zulks ook bij de access provider bekend
is, bijvoorbeeld doordat deze op een en ander is geattendeerd. In een dergelijke situatie zou
wellicht van de access provider verlangd kunnen worden dat hij tegen de betrokken gebruiker
optreedt.' De Scientology Church heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis maar wilde later met
Spaink en de providers onderhandelen over een schikking. Het hoger beroep is daarom tot
nader order uitgesteld waarmee het vonnis van de Haagse president op dit moment voor
Nederland de enige leidraad is. Als de Scientology-zaak één ding duidelijk heeft gemaakt is het wel dat de Auteurswet uit
1912 een gebrekkig instrument is, om de conflicten die nu tussen journalisten en uitgevers
rijzen, te beslechten.
|
| JEANNE DOOMEN
|
|
|
Copyright © Jeanne Doomen. Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden voor persoonlijk gebruik.
|