


Jeanne Doomen
Marion Schiphorst
|
Het is maandag 30 september en freelance journalist Jan
Rensen zit wat te surfen op Internet. Hij neemt een
kijkje op de site van het Utrechts Nieuwsblad, de krant
waaraan hij regelmatig artikelen levert. Tot zijn stomme
verbazing stuit hij op een (zwaar verminkt) verhaal van
hemzelf waarbij ook nog eens staat vermeld dat het copyright
berust bij het UN.
Rensen schrijft een brief aan UN-hoofdredakteur Gerd Selles
en wijst erop dat zijn auteursrecht is geschonden. Niet alleen
is zijn artikel zonder zijn toestemming doorgeplaatst in
een ander medium, maar er is ook nog eens in geknipt op een
wijze die - aldus Jan Rensen in zijn brief - "krant noch
auteur een dienst bewijst".
Hij schetst de hoofdredakteur zijn dilemma. Hoewel het
interessant zou zijn de kwestie aan de rechter voor te
leggen (bijvoorbeeld om te toetsen welke straf-vergoeding
hier tegenover zou moeten staan), wil hij de zaak niet op
de spits drijven: hij en de krant werken immers al vijftien
jaar prettig samen. Maar als voorzitter van de sectie
freelance van de NVJ kan Jan Rensen de inbreuk op zijn
auteursrecht ook weer niet zonder meer laten passeren.
Rensen stelt de volgende oplossing voor: betaling van het
normale honorarium voor dit artikel en overleg als de krant
nog eens zo'n herplaatsing overweegt.
De zaak lijkt met een sisser af te lopen. In een
telefoongesprek verzekert Selles Rensen dat er sprake is
van een misverstand: de redakteur die de hele bijlage op
het net had gezet had zich niet gerealiseerd dat er ook
werk van freelancers in zat. En ja hoor, dat honorarium
wordt overgemaakt. Hij zal de zaak nog wel even voorleggen
aan zijn juridisch adviseur, dit met het oog op de toekomst.
Een paar dagen later belt Selles opnieuw met Rensen. De
hoofdredakteur blijkt intussen zo boos geworden dat hij de
samenwerking met zijn freelancer per direkt opzegt. "Een
omzetverlies van f 16.000 per jaar," rekent de journalist
voor. Rensen overlegt nu met de NVJ welke juridische stappen
tegen de krant kunnen worden genomen.
Het komt niet vaak voor dat freelancers daadwerkelijk
optreden tegen opdrachtgevers die hun auteursrecht schenden.
Soms merken ze niet dat het gebeurt (het artikel verschijnt
op een plek waar ze het niet tegenkomen). Of ze willen de
zaak niet te hoog spelen uit angst de relatie met de
opdrachtgever op het spel te zetten. Of ze hebben eenvoudig
geen zin in het 'gedoe'.
"Eigenlijk gebeurt het me regelmatig dat mijn auteursrecht
wordt geschonden," vertelt freelancer Mieka Vroom. "Ik merk
bijvoorbeeld dat artikelen van mij worden overgenomen in
kleine blaadjes van organisaties. Die kunnen toch niet
betalen, denk ik dan, ik begin dus niet eens over geld. Ik
ben al blij als ze mijn naam eronder zetten.
Ik werk regelmatig voor de gemeente Utrecht. Een tijdje
terug had ik een stuk geschreven over sociale vernieuwing.
Toen belde de vrouw die de eindredaktie deed heel
enthousiast op: het wordt ook geplaatst in een ander krantje,
vind je dat niet leuk? En ik werd meegesleept door haar
enthousiasme en dacht niet meer aan de zakelijke kant.
En ik denk dan ook: moet ik daar nou al die moeite voor
gaan doen? Ik heb het toch al geschreven. Ja, ik weet dat
het niet zo hoort en het is ook het argument dat altijd
door de andere kant wordt gebruikt en terwijl ik je dit
vertel heb ik het schaamrood op de kaken. Maar zo werkt het
wel, helaas."
Mieka Vroom wil ook nog een goede ervaring kwijt. "Ik zou
met iemand anders een boekje schrijven dat zou worden
meegezonden met het Kluwer-tijdschrift Vraag en Aanbod.
We kregen een contract toegestuurd waarin stond dat alle
auteursrechten zouden worden overgedragen, ook als het op
CD-rom werd gezet. We hebben ze per kerende post de
leveringsvoorwaarden van de NVJ gestuurd en tot onze stomme
verbazing kregen we meteen een nieuw contract waarin die
leveringsvoorwaarden waren opgenomen. Terwijl we al dachten:
stroop je mouwen maar op, er moet nu heel hard gewerkt
worden."
Aanvankelijk deden de uitgevers of hun neus bloedde en
sluisden voor eenmalig gebruik bedoeld journalistiek
materiaal zonder meer door naar databanken, CD-roms en
vervolgens ook naar Internet. En alsjeblieft geen moeilijke
gesprekken over of daarvoor toestem ming van de auteurs
nodig was, of er sprake was van hergebruik en al helemaal
niet over de vraag of daar een vergoeding tegenover moest
staan.
Frans Pasma, Internet-redakteur bij De Limburger, vertelt
dat het auteursrecht bij zijn krant intussen "een klein
beetje" is geregeld. Dat houdt in dat men voor de
Internet-site alleen eigen produkties en die van het ANP
("daar doen ze nooit moeilijk") gebruikt. "We gaan ervan
uit dat als we ook andere artikelen zouden gebruiken, de
krant op het Net daarvan afhankelijk kan worden en we een
flinke stap terug zouden moeten doen als het niet meer mag.
Of dat we dan diep in de buidel zouden moeten tasten."
Bij De Limburger werkt volgens Pasma ook geen redakteur die
zegt: mijn stuk niet op Internet als ik geen geld krijg.
"Wel vindt men dat het landelijk geregeld moet worden."
Ook bij het Haarlems Dagblad werd onlangs een notitie op
tafel gelegd over de creatie van een eigen plek op Internet.
Het woord auteursrecht kwam in die notitie niet voor. "Als
voorzitter van de redaktieraad heb ik er toen op gewezen
dat dat wel goed geregeld moest worden," zegt Arthur Maandag.
"Maar hoe het nu uitpakt moeten we nog maar afwachten."
Erg lang zullen uitgevers deze lijn niet meer volgen. Het
laatste half jaar gaan zij er immers in toenemende mate toe
over journalisten met zachte of wat hardere hand ertoe te
bewegen hun auteursrecht zelf uit handen te geven.
Zo verzochten De Weekbladpers en NRC Handelsblad hun
freelancers ermee in te stemmen dat hun bijdragen worden
gebruikt voor respectievelijk een databank en een CD-rom.
Ook uitgeverij Wegener deed een beroep op de medewerkers
hun auteursrecht ten behoeve van de ontwikkeling van de
nieuwe media uit handen te geven.
En de VNU-tijdschriftengroep verraste de onderhandelingspartners
met een concept- mantelovereenkomst die freelancers ertoe
moest brengen hun auteursrecht in volle omvang over te
dragen. Alle belangenbehartigingsorganisaties van
vormgevers tot fotografen en journalisten hebben VNU
intussen in een gezamenlijke brief laten weten dat zij hier
niets voor voelen.
Bij de Dagbladpers spreekt men bij voorkeur niet van een
totale overdracht van het auteursrecht. "Ik noem het liever
een versterking van de wettelijke licentie," zegt H.
Grootveld, secretaris voorlichting juridische zaken van het
Nederlands Uitgevers Verbond.
En waarom het nu zo hoog gespeeld wordt en de dagbladuitgevers geen jaar meer kunnen
wachten op een definitieve regeling? Grootveld: "Je moet er
eens een keer aan beginnen als je het op je af ziet komen.
En voor de NDP is het kennelijk een hard punt, anders was
het niet zo gelopen."
De NVJ neemt de zaak overigens minstens zo hoog op. "Die
CAO moet er komen. En als ze hier een breekpunt van willen
maken, roepen we journalisten op om aktie te voeren," aldus
NVJ-secretaris Inge Brakman.
Dat er uiteindelijk aan journalisten betaald zal moeten
worden wanneer hun produkten in databanken, op CD-rom of op
Internet (verder) worden geëxploiteerd staat wel vast.
Dat is ook vanzelfsprekend, aangezien de Internet-gebruiker
ook niet overal meer vrij toegang heeft en zal hebben.
"Internet zit nu in de honeymoon-fase," zegt advocaat en
wetenschappelijk medewerker Informatierecht mr. P.B. Hugenholtz.
"Maar de ontwikkeling is dat er geld gevraagd zal worden
voor die informatie die commercieel waardevol is. Uitgevers
doen het nu nog cadeau omdat het interessant is om te laten
zien dat ze op Internet zitten, maar dat zal niet zo blijven.
En als de Internet-gebruiker gaat betalen, is het niet meer
dan logisch dat ook royalties worden betaald."
De vraag is dan hoe die royalties moeten worden berekend en
uitbetaald. "Het is praktisch niet haalbaar om met alle
mogelijke rechthebbenden op materiaal te gaan onderhandelen,
" aldus advocaat mr. drs. S.J.H. Gijrath in het Financieel
Dagblad van 3 juli 1996. Ook is het volgens hem "moeilijk
om vooraf een vast percentage af te spreken. De inhoud van
een site wordt voortdurend aangepast en uitgebreid en het
is dus ondoenlijk op enig tijdstip te bepalen wat het
aandeel is van een stuk bronnenmateriaal in de totale site."
Praktischer zou het volgens deze deskundige zijn "indien de
producent van een Internet- site zich tot één partij kon
wenden, die bij voorkeur met standaardtarieven werkt".
Een ideale oplossing, meent mr. Gijrath, zou zijn "indien
er één overkoepelende clearingorganisatie
werd opgericht voor de Internet-exploitatie, al dan niet
met subafdelingen".
Advocaat Hugenholtz kan zich voorstellen dat het opsporen
van en onderhandelen met een veelheid van rechthebbenden
voor een multimedia-producent "kan uitdraaien op een
auteursrechtelijke nachtmerrie". Anders dan Gijrath meent
hij echter dat er wel degelijk mogelijkheden zijn om vast
te stellen wie op welk moment welke Internet-informatie tot
zich neemt.
"Het mooie van Internet is dat je precies kunt zien hoe
vaak iemand toegang vraagt tot een bepaalde pagina, terwijl
je niet ziet hoe vaak iemand een boek openslaat." Het is
juist inherent aan Internet als systeem dat precies is vast
te stellen wie zich waar hoe lang ophoudt. "Om met de
bekende auteursrecht-lobbyist Charles Clark te spreken:
The answer to the machine is in the machine."
Hugenholtz is er daarom absoluut niet van overtuigd dat een
clearingsysteem op de informatiesnelweg een noodzaak is.
Een pay per use systeem dan, waarbij bij de Internet-gebruiker
de kassa gaat rinkelen telkens wanneer hij de voorpagina
van een bepaalde krant on line opzoekt met een doorbetaling
aan de journalist wiens artikel hij na het scannen van de
koppen downloadde van het Net?
Hier ziet de advocaat een ethisch probleem. "Je kunt op
Internet weliswaar alles naar iedereen traceren," zegt hij,
"maar je moet er daarbij wel op letten dat de eindgebruiker
niet te veel privacy kwijt raakt."
Voorlopig lijkt het Hugenholtz nog niet zo'n gekke
oplossing om een eenmalig percentage vast te stellen voor
hergebruik van journalistieke produkten. "Het voordeel
daarvan is dat je het systeem ook voor CD-roms kunt
gebruiken. Want bij een CD-rom kun je tenslotte niet
vaststellen hoe vaak welke gegevens zijn gebruikt."
Hoe hoog het percentage zou moeten zijn, is een open vraag.
De NVJ is bereid voor dagbladjournalisten de komende jaren
een 0-percentage te accepteren als het journalistieke
auteursrecht maar wordt gewaarborgd. Voor de
omroepmedewerkers en de freelancers wil men eerst hogere
honoraria bevechten voordat een percentage zelfs maar aan
de orde kan komen.
En als die hobbels eenmaal zijn genomen? Dan wordt dat
nog een leuk potje onderhandelen.
|