De Amsterdamse rechtbank heeft vastgesteld dat Wouter Huibregtsen domme dingen heeft gezegd tegen Hans van Wissen, maar dat Van Wissen die niet had mogen opschrijven zoals hij ze heeft opgeschreven. Huibregtsen kan nu schadevergoeding eisen. En dat is zuur.
Het vonnis bevat ook goed nieuws, zeker als je weet wat Huibregtsens advocaat tijdens de procedure allemaal te berde heeft gebracht. Zoals dat Van Wissen omdat hij ook sociaal met Huibregtsen omging duidelijk had moeten aankondigen dat hij dit keer wel wou publiceren en dat als Huibregtsen de prins al voor judas en laf had uitgemaakt (wat Huibregtsen ontkende), de Volkskrant hem voorafgaande aan de publicatie had moeten vragen 'of hij werkelijk bij zijn volle verstand zulke uitspraken deed'.
Allemaal onzin, vindt de rechtbank. Wie met een journalist praat, moet erop bedacht zijn dat zijn woorden in de krant kunnen komen. Zeker als die journalist, zoals in dit geval Van Wissen, vraagt om commentaar. Dat je ook wel eens met die journalist van gedachten hebt gewisseld zonder dat er iets werd gepubliceerd, betekent niet dat als hij je wel sprekend wil opvoeren, hij dat ook nadrukkelijk moet melden.
Het stuk van tevoren laten lezen om te vragen of het zo goed is, hoeft ook niet. En zelfs als Huibregtsen wel een voorbehoud van verificatie had gemaakt, zou dat de Volkskrant niet tot wijziging van het artikel hebben verplicht. Maar komt er gelazer, dan moet de journalist bewijzen dat het verhaal klopte. En dat valt vaak niet mee.
Van Wissen had tijdens het telefoongesprek aantekeningen gemaakt. 'Fragmentarisch' zijn die aantekeningen vindt de rechtbank en de journalist heeft 'erkend' (aldus het vonnis) 'dat hij voor de citaten deels uit zijn geheugen heeft geput en vanwege de leesbaarheid zelf enige invulling aan de mededelingen van Huibregtsen heeft gegeven'. Tja, zo werkt dat.
Waarna de rechtbank uitmaakt dat uitspraken alleen als citaat mogen worden weergegeven als die letterlijk zo zijn gedaan. En het is logisch dat een beetje journalist dan opspringt en wijst op alle eh's en o ja's en ander gehakkel dat je als vakvrouw/man uiteraard weg wiedt.
De rechtbank stelt het ook te algemeen. Het was beter te accepteren geweest als de eis van het strikte citaat rechtstreeks was gekoppeld aan de overweging die de rechtbank nu als een extra toevoegt: dat juist in gevallen waar de journalist zich ervan bewust is dat wat hij als iemands woorden weergeeft 'beschadigend' kan zijn voor die persoon of derden, er exact moet worden gequote. Dat valt namelijk wel te verdedigen.
Moeilijk te volgen is de redenering van de rechtbank dat Van Wissen Huibregtsens 'laf, ja' niet mocht omzetten in het citaat 'lafheid'. Het gaat er niet eens zozeer om dat hij woordelijk moest citeren (dat was al eerder in het vonnis vastgelegd). Maar de rechtbank eist van de journalist op dit punt extra precisie omdat Huibregtsen deze tekst niet spontaan heeft gesproken, maar 'de toon' van dit deel van het gesprek was 'gezet' door Van Wissen. Het betere trek- en zuigwerk, kortom. Je kunt iemand nu eenmaal moeilijk met de geheel open vraag of hij mogelijk nog iets als commentaar kwijt wil tot aardige uitspraken verlokken.
De wijze les die uit Huibregtsen vs de Volkskrant valt te trekken is eigenlijk vooral dat we alleen nog maar een gesprek met moeten aangaan met mensen die we willen quoten terwijl de bandrecorder stiekem meedraait. Inderdaad, dat mag niet van de Raad voor de Journalistiek. En weet u waarom? Omdat 'men zich in de regel anders en met name zorgvuldiger uitdrukt wanneer men weet dat zijn woorden worden vastgelegd' (RvdJ 21/4/86, de Journalist 2/6/86).
Het mag trouwens wel volgens het strafrecht (art. 139a Sr). En hoewel het ongetwijfeld fatsoenlijker is om je gesprekspartner mee te delen dat alles wat hij zegt wordt opgenomen en dus tegen hem kan worden gebruikt, is mij geen uitspraak van een civiele rechter bekend waarin het verzwijgen van het meelopen van de band is veroordeeld.
Het aardigste bezwaar tegen opnemen vond ik in een juridisch handboek waar de auteur met spijt vaststelde dat het tapen van gesprekken waaraan je zelf deelneemt, niet strafbaar is. De rechtsgeleerde vroeg zich namelijk af of iemand die een gesprek voert 'niet erop mag rekenen, dat hij niet onverwacht met een geluidsbandje wordt geconfronteerd, ten aanzien waarvan ontkenning of verzwakking veel minder goed mogelijk is dan ten aanzien van een mondeling of schriftelijk "verslag".'
Het is ook nooit goed.
|