


Jeanne Doomen
Marion Schiphorst
|
In een kleine zitslaapkamer word ik hartelijk ontvangen door thuiswerkster
Diane en haar echtgenoot. "In dat bed doe ik mijn werk, maar
mijn man en ik slapen er ook. Wanneer wij zelf naar bed gaan, halen
we de sprei en de handdoek er af. Daar hebben wij geen problemen
mee. Als er een klant komt, gaat mijn man naar hiernaast," zegt Diane,
wijzend op een kamertje met slechts ruimte voor een hometrainer en
een grote hond. "Soms is het wel een probleem als er sport op de TV is.
Je kunt moeilijk klanten ontvangen terwijl je man naar het voetballen
zit te kijken.'
Sietske Altink wil in Handel in hartstocht het prostitutiebedrijf in
Nederland in kaart brengen. Dat prostitutiebedrijf is de laatste twintig
jaar wezenlijk veranderd. De gewone wip, daarvoor gaan mannen niet
meer naar de hoeren. De sekswerksters van de jaren negentig moeten
het hebben van een specialisatie. 'Tegenwoordig moeten hoeren bij
wijze van spreken de hele Kama Soetra kennen,' citeert Altink een niet
met naam genoemde deskundige.
De hoerenlopers van nu zijn volgens de auteur niet meer 'de alleenstaande
man die van zijn hospita geen dames mocht ontvangen en de
getrouwde man die dubbeltjes en kwartjes spaarde voor hoerenbezoek'.
Die klanten zijn verdwenen. Daarvoor in de plaats kwam de welvarende
heer die de verworvenheden van de seksuele revolutie in een notendop
wilde beleven. Hem boden de luxe clubs de gelegenheid zich
eventueel in gezelschap van zakenpartners met een glas champagne in
een bubbelbad te dompelen. Met een charmante dame om hem naar
behoren te verwennen, uiteraard.
Een andere ontwikkeling is de populariteit van SM en parenavonden.
Ook travestieten zijn in, want lang niet alle hoerenlopers schrikken
zich wezenloos als de dame met de diepe stem opeens een heer blijkt te
zijn. Een aparte markt is die van de voornamelijk op mannelijke
homoseksuelen gerichte bisnisjongens (al maakt Altink ook melding
van ene Jacques die het desgewenst met schapen, honden en kippen
doet).
Uitgangspunt van Handel in hartstocht is dat sekswerk gewoon werk is,
en dat er met het gebruik maken van deze vorm van dienstverlening al
evenmin iets mis is. Dat neemt niet weg dat op de meeste vormen van
prostitutie vanuit de sekswerkster wel het een en ander valt af te
dingen.
'Het is niet iedereen gegeven om als raamhoer te werken,' zegt
een raamprostituée. 'Je moet er maar tegen kunnen dat ze naar je
spugen zodat de rochels van je raam druipen.' Ook is er in deze branche
de vrees door bekenden te worden herkend en de ergernis over
droogneukers die tien keer langs komen, zich opgeilen en zich dan op
een hoekje gaan staan aftrekken.
Tippelen heeft als voordelen dat het geen kosten met zich meebrengt
(de raamhoer betaalt voor haar kamertje 100 tot 125 gulden per dagdeel)
en dat het relatief goed verdient. Maar vooral de heroïnehoertjes
maken melding van uitbuiting door klanten. "Die galbakken zien dat ik
ziek ben en dope nodig heb. Ze vragen dan of ze voor 25 gulden zonder
mogen. Je kan niet meer op je benen staan. Dan denk je echt niet aan
de gevolgen op de lange termijn. Je gaat zonder condoom. Je doet alles
om je maar niet meer zo ziek te voelen. Maar er zijn ook wel aardige,
gewone mannen bij.'
Clubwerk is ook niet alles (de helft van de inkomsten gaat naar de
baas) en leidt door het urenlang zitten wachten aan de bar vaak tot
drankmisbruik. Escortwerksters treffen soms een leuke man, maar
vaak kruipt de tijd. 'Je ligt daar maar en dan moet je je weer omdraaien
en je benen wijd doen. Dat toneelspel kan echt knap vermoeiend
zijn.' De sekswerkers die in Handel in hartstocht nog het meest
enthousiast over hun werk vertellen, werken in de SM-sector of richten zich
op seksuele dienstverlening aan gehandicapten.
Sietske Altink schreef eerder in Sekswerk(1991) over de ervaringen van
vrouwen in de prostitutie en in Dossier vrouwenhandel NL(1993) over
de handel in buitenlandse vrouwen. Het nieuwe aan Handel in hartstocht
zou moeten zijn de analyse hoe het prostitutiebedrijf als bedrijf
functioneert. In dat opzicht schiet het boek tekort.
Door de nadruk op een verhalende stijl met veel citaten en anekdotes
wekt de schrijfster vooral de indruk dat de essentie van het prostitutiebedrijf
is dat de erin figurerende types als Frits van de Wereld en
Maurits de Vries (alias Zwarte Jopie) kleurrijk zijn. Duister blijft
echter hoe zij hun bisnis financieel hebben georganiseerd.
Het enkele gegeven dat Zwarte Jopie de belasting heeft getild en de vermelding
van een 'gerucht' over banden met de mafia doen wel vermoeden dat
Jopie niet helemaal kosjer was, maar onthullen nog niet hoe hij sekswerksters
exploiteerde. Ook het chronologisch vertellen hoe de plannen
over het Rotterdamse eroscentrum zijn ontstaan en weer verdwenen,
draagt weinig bij aan een dieper inzicht in de economische structuur
van het prostitutiebedrijf.
En de niet onbelangrijke vraag in hoeverre de criminaliteit een greep
op de prostitutie heeft, doet de schrijfster af door de voorzitter van de
in 1991 opgerichte Vereniging Exploitatie Relaxhuizen te citeren. In
1992 zegt die nog dat eenderde van alle exploitanten van sekshuizen
betrokken is bij criminele activiteiten, in 1994 'aarzelde hij dit te
herhalen' want 'mogelijk waren er in andere bedrijfstakken evenveel
criminelen actief'. Einde research.
Handel in hartstocht is, evenals Altinks eerdere boeken, een aardige
introductie voor iemand die de laatste tien jaar geen krant of tv-
programma over prostitutie heeft gezien en nu het plan heeft opgevat
zich toch eens in die materie te verdiepen. Voor wie minder onwetend
is, biedt het boek weinig nieuws.
|