| Schneider is een beroepsinbreker die zich specialiseert in inbraken in bejaardenhuizen. Op
geweld is hij nog nooit betrapt. Op 29 juni 1986 sluipt Schneider een bejaardenhuis binnen en
maakt hij de kluis open. Hij wordt gestoord en moet zonder buit vluchten. Twee dagen later
wordt in dezelfde kamer van het bejaardenhuis opnieuw ingebroken, nu door twee mannen. De
aanwezige bejaarde wordt na een worsteling bedwelmd en geboeid, de inhoud van de kluis -
een muntenverzameling - wordt meegenomen.
Schneider en een zekere Atteveld worden aangehouden. Schneider bekent de eerste inbraak,
maar ontkent de tweede. Atteveld bekent de tweede en wijst Schneider aan als zijn
mededader. De bejaarde zegt dat dezelfde man die hem traangas in het gezicht spoot, hem ook
geboeid heeft. Atteveld zegt dat hij het traangas hanteerde, maar dat Schneider het 80-jarige
slachtoffer heeft geboeid.
Twee getuigen die de inbrekers het bejaardenhuis hebben zien verlaten, wijzen - als hun
fotos worden getoond - Schneider en een andere crimineel, Wetering, aan als de daders.
Tijdens de zogeheten Oslo-confrontatie halen de getuigen noch Schneider noch Wetering uit
een rij verdachten. En dan zijn er nog diverse (ex-)vriendinnen die de heren nu eens wel en dan
weer niet van een alibi wensen te voorzien.
Dit voorbeeld is afkomstig uit Dubieuze zaken van de psychologen H.F.M. Crombag, P.J.
van Koppen en W.A. Wagenaar. Aan de hand van 35 rechtszaken waarin volgens hen twijfel
kon bestaan of de verdachten ook werkelijk de dader waren, onderzochten zij hoe de
strafrechter omging met het bewijs.
Hoe kwam hij bijvoorbeeld in de zaak-Schneider tot de conclusie dat Schneider ook de
tweede inbraak moest hebben gepleegd? Lag er niet het gegeven dat Schneider een geweldloos
inbrekersverleden had? Waren de verklaringen van Atteveld en de bejaarde over het spuiten en
boeien niet tegenstrijdig? En hoe kon de rechter geloof hechten aan de fotoherkenning als
dezelfde getuigen die Schneider als dader eruit pikten even zelfverzekerd Wetering tot dader
benoemden? Nu Atteveld in ieder geval had meegedaan aan de diefstal, moest toch een van de
twee anderen in dit scenario te veel zijn.
De auteurs hebben een suggestie. Zij veronderstellen dat heeft meegespeeld dat Schneider
een bekend inbreker is. Hij heeft de eerste inbraak bekend, zodat het in de ogen van de
rechters "logisch" was dat hij terugging om het karwei af te maken. Het verhaal over de
tweede inbraak past op die manier naadloos in de context van het criminele milieu waarin
Schneider zich ophoudt en de psychologische toestand waarin hij na de eerste inbraak geacht
kan worden te hebben verkeerd.
Officieel werkt een strafrechter als volgt. Hij bestudeert het dossier, laat zich door het
Openbaar Ministerie en de verdediging voorlichten, praat op de zitting met de verdachte,
getuigen en eventuele deskundigen, en vraagt zich dan in alle rust af of het bewijs er is dat de
verdachte het door de officier van justitie ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Nadat hij de
bewijsmiddelen is nagelopen en heeft geconcludeerd dat er inderdaad voldoende voorhanden is
om het wettig bewijs als geleverd te beschouwen, denkt hij opnieuw goed na en piekert hij
erover of hij door dat wettig bewijs ook werkelijk is overtuigd. Zo niet, dan volgt vrijspraak.
De meeste rechters zullen volhouden dat deze beschrijving klopt, al werden de auteurs van
Dubieuze zaken verrast door een magistraat die vertelde dat zijn beslissingsproces als volgt in
zijn werk ging: "Eerst kijk ik of ik van de schuld van de verdachte overtuigd ben. Dan vraag ik
me af waarop die overtuiging berust. Ten slotte vraag ik mij af welke van die argumenten als
wettig bewijs kunnen gelden en die schrijf ik dan op."
Zelf presenteert Crombag c.s. de hypothese dat bewijs in strafzaken een kwestie is van "een
goed verhaal vertellen met behulp van een verzameling feiten die men stevig in de
werkelijkheid weet te verankeren". Goede vertellers vermijden dubbelzinnigheden in hun
verhalen. Alles wat in het verhaal gebeurt is logisch in de gegeven omstandigheden, of zal
logisch blijken te zijn. Niet alle feiten hoeven noodzakelijk tot de volgende stap te leiden: wij
zijn gewend om, meestal onbewust, met behulp van talloze interpretaties een verhaal rond te
maken.
Een officier van justitie, stellen de auteurs, moet een prima verhalenverteller zijn. Hij
presenteert tegenover de rechter zijn bewijs en praat dat soepel aan elkaar. De kans dat de
rechter zijn versie slikt, is het grootst als die het verhaal van het Openbaar Ministerie of delen
daarvan via een of meer tussenstappen kan verankeren in feiten en omstandigheden van
algemene bekendheid, die geen verder bewijs behoeven.
Zulke ankers kunnen er zo uitzien: getuigen onder ede liegen zelden; getuigen die alle tijd en
gelegenheid hebben gehad om een misdrijf waar te nemen, vergissen zich meestal niet;
opsporingsambtenaren zijn betrouwbaarder dan gewone getuigen; eens een dief, altijd een dief;
de meeste Marokkaanse jongemannen maken zich bij herhaling schuldig aan delicten; vrouwen
die beweren verkracht te zijn, liegen zelden; wie bevriend is met mensen van wie bewezen is
dat zij bankrovers zijn, maakt zich vrijwel zeker ook aan bankovervallen schuldig; het
Openbaar Ministerie vervolgt zelden zonder dat daarvoor een goede reden is; wie het
moordwapen in zijn bezit heeft, is meestal de dader.
De officier van justitie heeft het volgens de auteurs maar makkelijk. Hij hoeft een rechter er
slechts van te doordringen dat de generaliseringen waarvoor hij met de aangevoerde
bewijsmiddelen voor anker gaat, voor het moment niet onredelijk en zelfs heel aannemelijk
zijn. Die generaliseringen hoeft hij in zijn requisitoir niet eens uit te spreken. Zij vormen de open deuren die niet telkens opnieuw hoeven te worden ingetrapt.
In het vonnis komen de feiten van algemene bekendheid waarvoor de rechter stilzwijgend
voor anker is gegaan, al evenmin voor.
Dat bevat slechts een opsomming van de bewijsmiddelen, bijvoorbeeld de mededeling dat
twee getuigen de verdachte als de dader hebben geïdentificeerd. Maar die mededeling is
slechts van belang als geloof wordt gehecht aan de generalisaties dat getuigen onder ede niet
liegen, dat zij in staat zijn iemand te herkennen en - nog zon anker - dat twee getuigen die
onafhankelijk van elkaar hetzelfde verklaren, meestal de waarheid spreken.
"Het enige criterium voor een bewezenverklaring is de rechterlijke overtuiging", stellen de
psychologen vast. "Als de rechter overtuigd is, is daarmee de kous af. Logica is niet vereist,
gezond verstand ook al niet en uitleg achteraf nog minder."
Crombag, Van Koppen en Wagenaar zijn zorgvuldig nagegaan waar het allemaal mis kan
gaan met de totstandkoming van wat later als bewijs in de strafzaak een rol zal spelen, en hoe
de rechter op die foute of op zijn minst twijfelachtige informatie heeft gereageerd. Zij zijn niet
zuinig met hun kritiek op de politie, die - vaak gedreven door overijverigheid - bewijsmateriaal
dat voor de verdachte ontlastend zou kunnen zijn, niet eens natrekt en soms stukken gewoon
vervalst.
De auteurs benadrukken dat zij Dubieuze zaken gemeenschappelijk hebben geschreven, maar
in de hoofdstukken over de identificatietests komt de visie van Wagenaar sterk naar voren.
Dat betekent dus kritiek op slecht opgezette Oslo-confrontaties: vijf mannen worden op een rij
gezet, slechts één - de verdachte - is het Surinaamse type waarover de getuige al sprak, voor
het overige zijn het Noordafrikanen. Op slecht opgeleide of begeleide speurhonden. En op
rechters die weigeren zelf te gaan kijken of een getuige onder bepaalde omstandigheden
iemand wel heeft kunnen herkennen, maar volstaan met de vraag: "U hebt het toch wel goed gezien, hè?"
Echt boos maken de auteurs zich wanneer zij de zogenoemde getuige-deskundigen onder de
loep nemen. Zoals psychiaters en psychologen die zelfs bij ontkennende verdachten allerlei
psychische afwijkingen constateren en dan "voor het geval hij het heeft gedaan" lange
opsluiting en behandeling (of juist niet) adviseren. Waarbij zij juist in de ontkenning van de
verdachte een bevestiging zien van hun conclusie dat de verdachte psychotisch is.
De auteurs hebben ook veel aan te merken op degenen die kleine kinderen die mogelijk
seksueel zijn misbruikt, een coherent verhaal trachten te ontlokken. Merkwaardig is de zaak
van het 4-jarige meisje dat haar moeder vertelt dat haar acht maanden oude zusje heeft gezegd
dat de oppas haar "au in buik" heeft bezorgd. Waarna de moeder dat verhaal overbrengt aan
de politie, die het vastlegt in een voor het bewijs gebruikt proces-verbaal. Babys kunnen niet
praten, stellen de auteurs terecht en zij verwonderen zich erover dat dit simpele gegeven
niemand (ook de advocaat niet) is opgevallen.
Wie nog een restje vertrouwen heeft in de bij de ondervraging van kleine kinderen wel
gebruikte poppenspelmethode, moet na lezing van Dubieuze zaken op zijn minst toegeven dat
enkele orthopedagogen buitengewoon suggestief zijn in hun vraagstelling. Als het aan de
auteurs ligt, kunnen zij zich voortaan beter verre van dit soort technieken houden. Geoefende
kinderpsychologen zouden met kinder-ondervraging moeten worden belast en van de
gesprekken zouden video-opnamen beschikbaar moeten komen voor de rechter, zodat die zelf
kan vaststellen hoe de ondervraging is verlopen.
Volgens de psychologen is de politie erop uit alleen bewijs te verzamelen dat de schuld van
degene die zij tot verdachte hebben bestempeld, steeds vanzelfsprekender maakt. Desnoods
wordt daarbij een verklaring verdraaid, een handtekening vervalst of een onwelkom bewijsstuk
weggemoffeld. De officier van justitie kiest uit het aangeleverde bewijs weer datgene wat hem
in staat stelt een mooi verhaal te presenteren, de rechter trapt daar in en de verdachte wordt
veroordeeld.
Maar de advocaten dan? Je kunt toch geen krant opslaan zonder te worden geconfronteerd
met de heldendaden van strafpleiters als Doedens, Boone, Spong en Moszkowicz? Slagen zij
er dan niet in door het zaaien van twijfel zelfs overduidelijk schuldige cliënten de dans te laten
ontspringen? Soms wel, ja. Maar de meeste advocaten zijn - aldus de psychologen - jong en
onervaren, zij beschikken niet over de tijd en de middelen om een verhelderend
tegenonderzoek te (laten) doen en komen er zelfs niet altijd toe een dik dossier grondig door
te nemen.
Gewiekste strafrechtadvocaten zijn er wel, maar zij stellen hun diensten meestal ter
beschikking van hen die ervoor kunnen betalen. De arme sloeber die naast een uitkering wel
een beetje heeft bijgewerkt, maar niet zoveel als justitie nu beweert, mag er niet blind op
vertrouwen dat een toppleiter zijn zaak pro deo op zich neemt.
De gemiddelde advocaat, zo leidden Crombag en zijn collegas uit de door hen bestudeerde
dossiers af, heeft het ook al lang opgegeven voor de rechter de feiten ter discussie te stellen.
Een juridisch verweer, daar wil hij zich nog wel eens in uitleven. Maar kijken of, op basis van
de bewijsmiddelen, ook een alternatief, goed klinkend verhaal is te bedenken, dat komt zelden
voor.
En dan is daar de rechter, die - gevallen voor het verhaal van de officier - een vonnis in
elkaar flanst waarin hij bewijsmiddelen aan elkaar plakt, zonder uit te leggen waarom hij zich
nou net wel door deze en niet door andere verklaringen of gegevens heeft laten overtuigen. De
rechter moet zijn vonnis volgens de wet immers wel motiveren, maar aan de manier waarop
dat gebeurt worden door de Hoge Raad slechts enkele formele eisen gesteld.
De schrijvers van Dubieuze zaken nemen het de rechter niet kwalijk dat hij zich eerst
afvraagt of het verhaal hem overtuigt en dan pas kijkt of hij er de feiten bij kan vinden. Een
andere manier is volgens hen ook niet haalbaar. Wel verwachten zij dat de rechter zich er
steeds rekenschap van geeft of het verhaal wel voldoende en veilige ankers heeft, dat wil
zeggen dat het kan worden herleid tot een aantal feiten van algemene bekendheid, waarover
verder niet kan worden getwist.
De auteurs doen tot besluit een aantal aanbevelingen om de kans op rechterlijke dwalingen te
verminderen, waaronder: betere Oslo-confrontaties, het opnemen van verhoren op de
geluidsband en het negeren van verklaringen van anonieme getuigen. De belangrijkste is echter
dat de rechter zijn vonnissen werkelijk gaat motiveren. Dan wordt hij meteen gedwongen zich
af te vragen waarom hij aan die ene verklaring nu zoveel waarde toekent (is de getuige.
misschien een eerzaam burger, die de verdachte niet eens kent?) en meent de andere (van een
junk? van een familielid van de verdachte?), gevoeglijk buiten beschouwing te kunnen laten.
Dubieuze zaken is een belangrijk, intrigerend boek. De psychologen gaan wat te vaak uit van
de kwade trouw van rechters die, zonder er een seconde van wakker te liggen, ook bij gerede
twijfel mensen voor een groot aantal jaren de gevangenis of de tbs-kliniek zouden insturen.
Termen als "het kan ze niet bommen" wijzen op een soort boosaardigheid of opzettelijke
onverschilligheid die de meeste rechters niet kan worden toegeschreven.
Sommige beweringen zijn ook onjuist. Het is eenvoudig niet waar dat elke rechter het
psychiatrisch rapport zonder meer voor zoete koek slikt. Het komt wel degelijk voor dat
gedragsdeskundigen op de zitting moeten komen om daar uit te leggen wat zij in vredesnaam
met cryptische omschrijvingen bedoelen. En en passant mogen ze dan ook toelichten hoe dat
diepe inzicht tot stand kon komen na een bezoek van tien minuten, waarbij de verdachte het
vertikte zijn mond open te doen.
Toch zou het jammer zijn als juristen zich door de soms wat al te venijnige toon en enkele
onjuistheden gelegitimeerd voelden om zich terug te trekken in hun veilige "Daar heb je
Wagenaar weer"-bastion. Daarvoor bieden de auteurs te veel belangwekkende informatie over
de manier waarop de menselijke geest werkt bij het waarnemen, herinneren en beslissen. En
dat is informatie waarover de jurist die zich tijdens de studie niet de luxe van een overbodig
keuzevak als klinische psychologie heeft gegund, doorgaans niet beschikt. Een beetje twijfel
aan de eigen almacht kan trouwens sowieso geen kwaad.
Ten slotte een citaat uit de Volkskrant van 26 maart. Het komt uit een rechtbankverslag over
twee van ontvoering, beroving en verkrachting van een Australisch paar verdachte
Amsterdammers. De officier van justitie acht het ten laste gelegde bewezen. Hij motiveert dat
als volgt. "Het bewijs bestaat, als een legpuzzel, uit allemaal kleine stukjes, maar er is geen
spoor van twijfel dat Vincent G. de vrouw heeft verkracht en dat het tweetal samen zich heeft
schuldig gemaakt aan vrijheidsbeneming en diefstal met geweld."
Dat bedoelen de schrijvers van Dubieuze zaken nou.
|