Op het hoogtepunt van de tweede feministische golf wist wie beweerde dat mannen en vrouwen ‘gelijkwaardig maar wel ánders' waren zich verzekerd van de toorn van haar radicalere feministische zusters. Mannen en vrouwen waren wel degelijk gelijk, en als vaders gingen moederen en vrouwen gingen werken zou dat duidelijk worden ook.
De laatste jaren beginnen de ‘nurture' (opvoedings)-feministen het af te leggen tegen de ‘nature'(biologie-)theoretici. De huidige trend is dat vrouwen wel degelijk ánders zijn dan mannen. Sterker: ze zijn béter. Hun bijzondere kwaliteiten zouden vastliggen in hun hersenen en hun hormonen en bovendien het gevolg zijn van hun bekwaam functioneren in de oertijd.
Met De eerste sekse past de Amerikaanse antropologe Helen Fisher in deze trend.
Fisher begint haar betoog met een opsomming van de eigenschappen waarover vrouwen meer dan mannen zouden beschikken. Dat zijn taalvaardigheid, inlevingsvermogen, geduld, het vermogen om aan meerdere dingen tegelijk te denken en ermee bezig te zijn, een voorliefde om plannen te maken voor de lange termijn, een gave voor netwerken en onderhandelen, een hang naar samenwerking en het bereiken van consensus, en het geven van leiding binnen egalitaire teams.
Ook mannen hebben volgens Fisher aangeboren talenten. Zoals een uitmuntend inzicht in de ruimtelijke samenhang, een talent voor het oplossen van gecompliceerde mechanische problemen, het vermogen hun aandacht onverdeeld ergens op te richten en de gave een groot aantal emoties onder controle te houden. Aan die vaardigheden hebben we in het verleden een hoop gehad. Maar in de toekomst hebben we volgens de hoogleraar antropologie meer aan de kwaliteiten van vrouwen.
De maatschappij wordt steeds complexer en heeft daarom steeds meer belang bij mensen die goed zijn in het tegelijk wegen van allerlei visies en mogelijkheden en die flexibel kunnen denken. Ook ondernemingen worden steeds meer meer-dimensionaal en een hiërarchische structuur is niet langer functioneel. Daar ligt een kans voor vrouwen omdat hun managementstijl is gebaseerd op het delen van macht, anderen bij de zaak betrekken, overleg en samenwerking.
De eerste sekse is op zijn best als Fisher - met enige overdrijving, maar vooruit - een beeld schetst van de ideale toekomstige (werk)maatschappij waarin de verhoudingen heel anders zullen liggen en waarin vrouwen bijna als vanzelf de ideale spinnen in het web worden.
Overigens ziet ze in de manier waarop vrouwen op het werk opereren ook wel negatieve kanten. Zo merkt ze op dat de behoefte van vrouwen om aardig gevonden te worden weliswaar leidt tot de drang tot samenwerken maar dat deze als neveneffect heeft dat vrouwen het zeer problematisch vinden te moeten werken met mensen die ze niet mogen. En ook koesteren vrouwen met grote toewijding een eenmaal opgebouwde wrok.
Hoe lastig dat kan zijn en hoe je ermee moet omgaan, laat Fisher in het midden. De antropologe volstaat ermee op te merken dat het koesteren van een wrok heel nuttig was voor de voorhistorische vrouwen. Die konden het zich immers niet veroorloven zich in het karakter van een ander te vergissen. Een onbetrouwbare vriendin kon haar kind ernstig kwaad doen en een onbetrouwbare minnaar kon na de bevruchting wel eens met de noorderzon vertrekken. Daarom was het maar goed dat onze vrouwelijke voorgangsters zelfs de kleinste vernedering niet vergaten.
Weinig relevant is het laatste deel van het boek waarin de antropologe zich uitlaat over seksualiteit, hartstocht, huwelijkstrouw en het belang van de romantische liefde. Door te beweren dat in de toekomst vrouwen én meer met seksualiteit zullen experimenteren terwijl niets zo mooi is als een lang desnoods seksloos huwelijk hoewel wie voeling heeft met haar/zijn eigen verlangens er misschien beter aan doet in opeenvolgende relaties het eigen hart achterna te gaan, verstrikt de schrijfster zich wel in erg veel tegenstrijdige verhalen. Hoe zij tenslotte met droge ogen kan concluderen dat zij ‘eigenlijk geweldige verwachtingen (koestert) voor de toekomst van het gezin' is alleen te verklaren uit wishfull thinking maar kan met geen mogelijkheid worden afgeleid uit haar eigen botsende theorieën.
In De eerste sekse probeert Helen Fisher het ‘anders'-zijn van vrouwen deels te verklaren uit een andere opbouw van mannelijke en vrouwelijke hersenen en het wel of juist niet beschikken over oestrogeen en testosteron. Verder leunt ze, evenals een andere ‘de vrouw is anders'-adept, Natalie Angier (De vrouw, ISBN 90 5333 811 X) zwaar op de gedachte dat de oertijd mannen en vrouwen heeft gevormd tot respectievelijk doelgerichte jagers en zorgende moeders. En misschien is dat ook wel zo. En misschien kunnen mannen dankzij dat gehol over de savanne inderdaad beter op één taak focussen en kunnen vrouwen omdat ze op diezelfde savanne tegelijk op de kleine moesten letten en naar eetbare planten moesten zoeken en ook nog moesten luisteren of ze een slang hoorden nu beter met duizend dingen tegelijk bezig zijn.
Maar als je de herkomst van allerlei eigenschappen eenmaal hebt vastgesteld, wordt het natuurlijk pas echt interessant zodra je wat met die informatie gaat doen. Fishers verhaal over hoe bepaalde talenten van pas kunnen komen als meer vrouwen - ook in hogere posities - gaan werken, is daarvan een goed voorbeeld. Al is het jammer dat zij wat geschrokken stopt het analyseren als zij vaststelt dat in het verleden gevormde eigenschappen opereren in een werksituatie ook wel eens lastig kunnen maken.
Of hoe we nu zijn volledig valt te verklaren uit wat er in de oertijd is ingeprent in onze genen is op zichzelf een interessant punt van discussie. Maar interessanter is eigenlijk waar die recente behoefte om te ‘bewijzen' dat vrouwen niet alleen ‘anders' maar ook ‘beter' zijn eigenlijk vandaan komt. In een interview in Opzij vertelt Fisher bijna triomfantelijk dat toen de vrouwenbeweging dertig jaar geleden actief werd zij in de bibliotheek zat, ‘verdiept in verre culturen'. Feministische boeken heeft zij nooit gelezen, zelfs niet het boek waarmee het in Amerika allemaal begon, The Feminine Mystique van Betty Friedan. En dat beschouwt zij ook niet als een gemis.
En misschien ligt daar wel een verklaring. Misschien is voor wie nu voor het eerst over mannen en vrouwen en de maatschappij gaat nadenken de vraag wie ‘beter' is echt een prangende vraag. En misschien zijn degenen die er vroeger wel ‘bij' waren en die de discussie over het anders-, gelijk- of gelijkwaardig-zijn al tientallen jaren geleden tot vervelens toe hebben gevoerd de vrouwen-zijn-beter-fase gewoon ‘voorbij'.
|