


Jeanne Doomen
Marion Schiphorst
|
Wat hebben Jodie Foster en John Travolta gemeen? Het goede antwoord
is niet, dat ze allebei filmster zijn, maar dat hun amoureuze
verlangens uitgaan naar personen van het eigen geslacht. Niet dat ze
daar zelf tegenover interviewers breed over uitpakken, maar ze zijn
door het Amerikaanse blad Outweek ge-out (uit 'de kast' gejaagd).
Omdat je je homoseksuele identiteit niet mag verzwijgen.
De vraag wat een homoseksuele identiteit is, of die wel moet worden
vormgegeven en zo ja, hoe, staat centraal in De verzuiling van de
homobeweging van Jan Willem Duyvendak (red.). Uitgangspunt is
hierbij dat het emancipatieproces van homoseksuele mannen en lesbische
vrouwen (vrijwel) voltooid is, en dat je je kunt afvragen of een
geëmancipeerde groep nog wel een groep is en, vooral, moet willen
blijven.
'Ik kan op dit moment - in Amsterdam - homoseksueel dansen, dineren,
overnachten, zwemmen, zingen, lunchen, in homoseksueel verband
musea bezoeken, naar de homoseksuele dokter, naar de homoseksuele
sportschool en naar de homosauna gaan; ik kan mijn wastafel homoseksueel
laten ontstoppen; mijn vakantiereis homoseksueel boeken en
genieten; mijn auto of fiets potteus laten repareren; mijn horoscoop
homoseksueel laten trekken en mijn huis homoseksueel laten verhuren.'
Het citaat is afkomstig uit de bundel Over normaal gesproken (Schorer,
1991). Intussen kunnen homo's en lesbo's dankzij een door de Gay
Krant samengestelde Gouden Gids ook nog boodschappen doen bij
bedrijven die homoseksuelen gunstig gezind zijn. Om te voorkomen dat
er flauwe grappen worden gemaakt wanneer twee heren samen proberen of het waterbed wel lekker voelt.
Duyvendak c.s. maken onderscheid tussen homo's die zich organiseren
op 'belangen' en degenen die groepsvorming op basis van 'verlangen'
nastreven. Het COC was lang het voorbeeld van een belangenvereniging.
Gelijke rechten, daar ging het om. Weg met de discriminatie.
Aanvankelijk was het COC ook een verklaard tegenstander van de
exploitatie van homodisco's door zijn lokale afdelingen. Pleisterplaatsen
die zich uitsluitend richtten op een homoseksueel en lesbisch publiek
zouden de integratie van homoseksualiteit in de samenleving belemmeren.
Aan het eind van de jaren zeventig kwam daar verandering in en
werden subculturele en politieke activiteiten niet langer beschouwd als
strijdig, maar als elkaar aanvullend. Sterke identiteiten werden nu
gezien als een voorwaarde voor homo-emancipatie, gescheiden recreatie
werd zelfs gestimuleerd omdat het de bevrijdingsstrijd kon ondersteunen.
De 'identiteitenpolitiek' was officieel geboren.
Deze omslag stond niet los van de acties van groepen als de lesbisch
feministen en de Rooie Flikkers, die juist helemaal niet wilden integreren,
maar betoogden dat zij wel degelijk 'anders' waren. En sterker
nog, dat dit 'anders' ook 'beter' was.
De beweging van de belangen en de subcultuur van het verlangen
beïnvloeden elkaar, stellen de schrijvers van De verzuiling van de
homobeweging vast. 'Wanneer de subcultuur tot volle bloei is gekomen,
is het buitengewoon lastig voor een beweging om zich te verbreden:
mensen hebben een beweging niet meer nodig voor het ontwikkelen
van een homo- of lesbo-identiteit, voor hun coming out.
Omgekeerd heeft een sterke beweging vaak wel een positief effect op de ruimte
voor de subcultuur. De beweging zal opkomen voor de belangen van de
subcultuur, en maakt het mogelijk dat mensen onbezorgd feest gaan
vieren (en zo graaft de beweging haar eigen graf).'
Duyvendak c.s. lijken niet onverdeeld gelukkig met de nieuwe groepsvorming.
'Waarom zouden homoseksuelen buiten hun negatieve ervaringen (discriminatie)
en hun verzet daartegen, ook andere zaken met elkaar gemeenschappelijk
hebben?' vragen Odile Verhaar en Stefan Dudink zich in het slotartikel af.
'Is het niet veel waarschijnlijker dat homoseksuelen, eenmaal onder het juk
van de discriminatie vandaan, alle kanten opgaan en dat andere verschillen
dan relevant worden, zoals klasse, kleur en leeftijd bijvoorbeeld?'
Zij wijzen op het gevaar van de creatie van een 'wij' versus een 'zij'
waarbij de ene, in dit geval de door de seksuele voorkeur bepaalde,
identiteit alle andere gaat overheersen. 'Men is niet langer afhankelijk
van de situatie nu eens lesbisch en dan weer zwart of dik, en men voert
de politieke strijd niet meer vanuit wisselende of gecombineerde
perspectieven. Voortaan komt men op voor rechten vanuit één
identiteit die als totaal-identiteit fungeert.' Grensverkeer tussen verschillende
groepen wordt er daarmee niet gemakkelijker op.
Ook laten zij hun licht schijnen over de kwestie van de groepsrechten
en de speciale behandeling van groepen, een politieke strategie die vaak
samengaat met een identiteitenpolitiek. Zo eisen homoseksuelen naast
gelijke rechten zoals het recht om te trouwen, soms ook speciale
rechten die zijn afgestemd op hun specifieke behoeften. In Amsterdam
eisen zij bijvoorbeeld de instandhouding van de buitenplaats De
Oeverlanden als cruisegebied.
Verhaar en Dudink pleiten ervoor om per keer te bepalen of en hoe de
identiteit als homo, zwarte, dikke of dunne er politiek toe doet en wat
voor maatregelen gelet op de specifieke situatie vereist zijn. Telkens
wanneer groepen speciale rechten of voorzieningen eisen zouden zij
volgens de auteurs moeten beargumenteren waarom zij ten aanzien van
een actueel politiek vraagstuk een bijzondere positie innemen en welke
gevolgen dat zou moeten hebben.
Hiermee is het laatste woord over het al dan niet bestaan van een
homoseksuele identiteit en de vraag wat die in een multiculturele
samenleving kan of moet betekenen, nog lang niet gezegd. Er moet
verder worden gedacht en gesproken. Verhaar en Dudink verwijzen
daarom onder meer naar de beweging van de queer theorists die zich
aan Amerikaanse universiteiten in deze materie verdiept. Zij geven in
dit verband zelf het advies aan homo's en lesbo's om 'het subversieve
potentieel van het liberalisme te overwegen', omdat dat 'momenteel de
beste optie is voor een radicale politiek die zich rekenschap geeft van
de centraliteit van liberale premissen in het politieke vertoog van onze
tijd'.
Jammer dat een aantal filosofisch wat minder geschoolde lezers die ook
op de laatste pagina van een verder helder en boeiend boek op klare
taal (en wie weet zelfs verlossende antwoorden) hoopte, met deze wat
kryptisch ogende wijsheid toch nog het bos wordt ingestuurd.
|