De misdaad in Nederland veranderde in het begin van de jaren tachtig van karakter. De criminaliteit werd harder en de opsporingsmethoden veranderden mee. De gedachte kwam op dat je boeven het beste kon vangen met andere boeven. Criminele burgers werden ingezet als infiltrant. Drugs werden met toestemming van justitie het land binnengesmokkeld. Tot met het IRT-debacle duidelijk werd dat het hogere doel (vangen van topcriminelen) zelden bereikt werd terwijl de criminaliteit onder het geloken oog van justitie des te weelderiger teelde.
In Deals met criminelen beschrijft Vrij Nederland-redacteur Marian Husken hoe het de criminele infiltranten en kroongetuigen vergaat. Hoe zij geworven worden, wat hun op dat moment in het vooruitzicht wordt gesteld en in hoeverre de overheid de beloftes waarmaakt. Haar boodschap is dat slechts enkele criminelen wel varen bij het sluiten van deals met justitie. Met de meesten loopt het minder goed af.
Husken laat de voormalige chef van de Haarlemse Criminele Inlichtingendienst (CID) Klaas Langendoen uitleggen hoe de politie aan criminele informanten komt. Langendoen: 'Dat is heel simpel. Criminelen komen in de cel te zitten. Dat is een ruimte van zo’n twee bij vier meter. Ze hebben alleen te maken met lastige verhorende rechercheurs. Als jij, als CID'er, dan bij die mensen binnenkomt, een beetje menselijk doet, een praatje maakt, een bak koffie drinkt, een koek meeneemt, dan ontstaat er contact.'
Het gaat niet altijd zo soepel. Marian Husken citeert uitvoerig uit de processen-verbaal van het verhoor van Koos van der Wilk, een crimineel die de pech had dat hij niet tegen de gevangenis kon. Dagenlang praten rechercheurs op hem in. Ze houden hem voor dat als hij niet meewerkt, hij wel acht jaar de gevangenis in kan gaan. En anders valt het allemaal wel mee. Uiteindelijk legt de man een belastende verklaring af over topcrimineel Henk Regenwoud. Tijdens het proces wordt hij per ongeluk tijdens een schorsing in dezelfde ruimte gelaten met de verdachten die hij heeft verlinkt. Een dag later pleegt hij zelfmoord.
Sommige criminelen hebben hun zaakjes goed voor elkaar. Haagse Kees speelde een dubbelrol. Hij werkte samen met de politie maar hield tegelijkertijd het IRT op afstand van de smokkel van de XTC. Zogenaamd omdat ingrijpen tot zijn ontmaskering kon leiden. Toen hij tenslotte inderdaad ontmaskerd dreigde te worden klopte de man direct bij de overheid aan. Twee miljoen kreeg hij - om elders in de wereld een nieuw leven te beginnen. Kees nam ze dankbaar in ontvangst en bleef gewoon in Nederland. Een teruggetrokken leven leidde hij ook al niet. Met naam, adres en foto adverteerde hij in een clubblad van postduivenhouders met de pronkdoffers die hij in de aanbieding had.
Haagse Kees is een uitzondering. Paul de Coureur kijkt na vijftien jaar infiltreren in ondere andere de club van Rosse Ben, de groepering van Henk Regenwoud en de bende van vuurwapengevaarlijke Boeren Gijs niet zo tevreden terug. Zes miljoen heeft hij verdiend in die periode. Maar er moesten ook bedrijfskosten vanaf zodat toen justitie hem niet meer nodig had hij nog acht, negen ton over had. Het meeste daarvan stak hij in zijn beveiliging. Nu heeft hij weinig meer over, is bang voor de criminelen die hij heeft verraden en heeft van dat verraden ook weer spijt. Hij beschrijft zichzelf als een nerveus wrak.
De laatste jaren is er met betrekking tot de bijzondere opsporingsmethoden wel het een en ander veranderd. Toen het Openbaar Ministerie net begon met het sluiten van deals met kroongetuigen, hield het raadslieden buiten de deur. Er werd pas een advocaat toegelaten als de bekentenis en de bewijzen die nodig waren om de zaak aan te pakken, waren verkregen. Nu is wettelijk geregeld dat een verdachte bij het sluiten van een deal met justitie recht heeft op een advocaat. Maar als hij besluit met justitie mee te werken wil de verdachte vaak een andere advocaat dan zijn vaste advocaat. Bijvoorbeeld omdat hij weet dat kantoorgenoten van zijn advocaat medeverdachten bijstaan. Nieuwe juridische hulp is echter niet altijd even snel geregeld en in de praktijk maken politie en justitie nog steeds graag gebruik van die advocaatloze periode om de deal tot stand te brengen.
Na de IRT-affaire is er nog meer veranderd. Korthals heeft in 1996 het inzetten van criminele burgerinfiltranten aan banden gelegd. Het mag alleen nog in een enkele kortstondige operatie als er geen andere mogelijkheid is om de zaak tot een goed einde te brengen. Een verzoek hiertoe moet eerst naar de Centrale Toetsings Commissie en dan ook nog eens naar de minister zelf.
Ook is vastgelegd dat vertegenwoordigers van buitenlandse opsporingsdiensten hier niet meer ongeremd als undercover agent hun gang kunnen gaan. Ze moeten zich houden aan de Nederlandse regels. In de praktijk lukt dit niet altijd. Husken noemt een onderzoek waarin de Engelse en de Nederlandse justitie samenwerkten om een drugsbende op te rollen. De Engelse politie gebruikte in dit onderzoek opsporingsmethoden die op dat moment in Nederland niet toelaatbaar waren. Met behulp van de zo verkregen informatie kon het Nederlandse onderzoek worden voortgezet.
Deals met justitie is een zeer uitvoerig verslag van een reeks opsporingsonderzoeken waarin door politie en justitie infiltranten zijn ingezet of van kroongetuigen gebruik is gemaakt. Husken lijkt daarbij partij te kiezen voor de vaak met veel mededogen beschreven criminelen. Ze beklaagt veelal hun lot: zich laten betrekken in een samenwerking waarvan ze de gevolgen niet overzagen, slecht gehonoreerd, niet of nauwelijks beschermd wanneer hun identiteit in het criminele milieu uitlekt. En die beloofde strafvermindering valt in de praktijk ook vaak vies tegen.
Ook voor de door deze criminelen ingehuurde advocaten niets dan lof. Ze hebben hart voor hun werk en worden uitsluiten gedreven door edele motieven.
Dat onder de vertegenwoordigers van politie en justitie mensen kunnen zitten met goede bedoelingen (de criminaliteit bestrijden bijvoorbeeld) lijkt Marian Husken voor uitgesloten te houden. Waarom die in de IRT-affaire fouten hebben gemaakt is volgens haar dan ook slechts te verklaren door de zware werkdruk (dat is nog het enige echte, hoewel wat slappe excuus) maar verder vooral door 'de ordinaire drang tot scoren, de eigen ijdelheid en de soms vage regels'. Een dergelijk zwart-wit denken heeft z'n charmes. Maar het doet soms wat erg simplistisch aan.
|