


Jeanne Doomen
Marion Schiphorst
|
Een 17-jarig meisje ontmoet op een bal een charmante matroos. Een
paar maanden later verlooft zij zich met hem. Als de man plotseling is
verdwenen, zoekt zij zijn familie op en komt er zo achter dat haar
geliefde eigenlijk een vrouw is.
Een veldwachter neemt een jonge zwerver mee naar het bureau en
ontdekt pas tijdens een indringend verhoor, waarbij de arrestant in tranen
uitbarst, dat de jongeman een meisje is.
Een man werkt jarenlang als kantoorbediende bij de
spoorwegen en pleegt dan zelfmoord. Bij de autopsie blijkt dat hij alle
geslachtskenmerken heeft van een vrouw.
In haar proefschrift Mannelijke vrouwen gaat historica Geertje
Mak op zoek naar vrouwen die zich in de vorige eeuw als 'mannelijk'
presenteerden of als zodanig werden gezien. 'Mannelijk' neemt zij
daarbij zeer ruim; alleen mannen die zich 'vrouw' voelen worden van
haar studie uitgesloten.
Mak is zeker nieuwsgierig naar hoe vrouwen het feitelijk
hebben gered zich als vrouw te presenteren (wat deden ze als ze
moesten plassen? en als ze ongesteld waren?). Maar centraal staat in
haar onderzoek minder wat vrouwen heeft bewogen zich voor te doen
als man, dan hoe zij door anderen zijn waargenomen en hoe hun
gedrag is geïnterpreteerd. Androgyne schoonheden, hermafrodieten,
vrouwen-soldaten, artistieke types als George Sand, feministes,
lesbiennes en travestieten passeren zo de revue.
Het minst moeilijk doet de geschiedenis over de vrouwen die
bewust kozen voor mannelijkheid om zo als soldaat hun land te dienen.
Wanneer over deze vrouwen-soldaten wordt verhaald, ligt de nadruk op
hun moed en wordt de 'vermomming' van de vrouw als man nauwelijks
becommentarieerd maar eenvoudig als feit meegedeeld. Veel verhalen
besluiten met de vermelding dat de heldin na een ontdekking of toen
de oorlog was afgelopen, als vrouw verder leefde. De terugkeer naar de
rol als vrouw verliep blijkbaar even gemakkelijk als haar eerdere
vermomming.
Lastiger hadden het de vrouwen die zich voordeden als man
omdat zij als vrouw geen werk konden vinden of omdat zij dezelfde
bewegingsvrijheid als mannen ambieerden. Wanneer tijdgenoten van
hun lot melding maken, ligt het accent erop dat zij iedereen een tijd
voor de gek hebben gehouden maar dat zij uiteindelijk zijn
ontmaskerd. Door die ontmaskering is de orde dan ook weer hersteld.
De verhalen van de niet-echte vrouwen zijn het meest treurig.
Vaak hadden zij een stormachtige romance, soms zelfs een huwelijk als
vrouw achter de rug, totdat iemand een kritische blik op hun
geslachtsdelen wierp en vaststelde dat die (ook) mannelijke kenmerken
hadden. Hierna werden zij verklaard tot man of tot monster.
Geertje Mak laat zien hoe in de loop van de negentiende eeuw
het accent verschoof van de ontmaskering van de verklede vrouw (wier
seksuele oriëntatie verder niet ter discussie stond) naar het tot
psychiatrisch geval verklaren van mannelijke vrouwen bij wie tegelijk
een lesbische inslag werd voorondersteld.
Zij ziet dit verschijnsel tegen de achtergrond van het debat over
de 'vrouwelijke natuur' dat aan het eind van de vorige eeuw speelde.
Door 'mannelijkheid' bij vrouwen als een afwijking en ziekte te
interpreteren, konden de medici hun theorie over de natuurlijke
vrouwelijke identiteit handhaven.
Ondanks zichzelf hebben ook de vroege feministen eraan
bijgedragen dat de traditionele opvatting over de vrouwelijke natuur
kon voortbestaan. Binnen de vrouwenbeweging werd namelijk wel de
superieure positie van de man ter discussie gesteld, claimden vrouwen
'de broek' als kledij en streefden zij naar meer (mannelijke) rechten in
de samenleving. Maar zelfs de meest radicale feministes hoedden
ervoor zich te identificeren met het lesbische.
Volgens Geertje Mak kan dit niet worden afgedaan met het
simpele verwijt van homofobie. De oorzaak moet er volgens haar in
worden gezocht dat de vrouwenbeweging rond de eeuwwisseling werd
geconfronteerd met een groot aantal problemen die alle de
georganiseerde en gelegitimeerde heteroseksualiteit betroffen:
prostitutie, dubbele moraal, ongehuwd moederschap, ondergeschiktheid
van de vrouw binnen het huwelijk. De heteroseksuele positie van de
vrouw was die van ondergeschikte of van verachte. En vanuit die
positie was de vrouwenbeweging, hoe verdeeld ook, verenigd. Zou men
nu ook nog de heteroseksualiteit zelf ter discussie hebben gesteld, dan
zou men, meent de schrijfster 'de vijand binnen eigen muren halen'.
Opmerkelijk is dat een tegenstelling die historisch verklaar- en
zelfs excuseerbaar is, een eigen leven is gaan leiden. Nog steeds, stelt
de onderzoekster, wordt de lesbische geschiedenis alleen bekeken als
een aanhangsel van vrouwengeschiedenis. Onvoldoende beseft men
daarbij dat de gelijkschakeling van vrouwen met hun seksualiteit en
hun heteroseksuele positie alleen kon plaats vinden door het lesbische
als fundamenteel onvrouwelijk te definiëren.
In Mannelijke vrouwen presenteert Geertje Mak een
indrukwekkende hoeveelheid historisch materiaal dat je niet anders dan
gefascineerd kunt lezen. Al snel wordt de lezer gegrepen door de
verhalen over de dappere vrouwen die er met meer of minder succes
voor kozen als man hun eigen weg te gaan met aan de andere kant de
beklagenswaardige vrouwen die, omdat zij niet voldeden aan de norm
van vrouwelijkheid, werden buitengesloten uit de maatschappij. Maks
analyses over hoe mannelijkheid werd verbonden met het lesbische en
waarom het lesbische en de vrouwenbeweging al direct elkaar uit
sloten, bieden inspiratie voor verder onderzoek.
Wel moet worden aangetekend dat Mannelijke vrouwen bepaald
geen vlotte aaneenschakeling van anekdotes is en dat het boek een hoog
Foucault-gehalte heeft. Wie niet enthousiast reageert op termen als
vertoog, discours, problematiseren, deconstrueren en focaliseren moet
zich realiseren dat er een hoop jargon moet worden getrotseerd om tot
de - interessante - kern door te dringen.
|