Toen in 1980 Nancy Chodorow's boek Waarom vrouwen moederen uit kwam, was
het voor een groot deel van feministisch denkend Nederland alsof alle stukken van
de puzzel eindelijk op hun plaats vielen. Nu was verklaard waarom mannen en
vrouwen zo anders zijn. Het had allemaal te maken met die eerste, primaire relatie:
de moeder.
In Chodorow en verder (een deel in een door Anja Meulenbelt
geredigeerde reeks over gender, psychologie en hulpverlening) neemt Meulenbelt
zelf de theorie van Chodorow als uitgangspunt, maar plaatst die in een wat breder
kader. Zij beschouwt niet alleen de psychologische ontwikkeling van een vrouwelijk
of mannelijk 'zelf', maar betrekt daarbij ook de heersende ideeën over wat
vrouwelijkheid en mannelijkheid inhouden. Ook beziet zij de sociale context, de
kansen die de verschillende seksen hebben, de verdeling van arbeid en zorg, geld,
macht en status.
Maar eerst Chodorow. Volgens Chodorow leert het meisje dat ze van
dezelfde sekse is als haar moeder, zodat in haar identificatie met haar eigen sekse
en met haar eerste liefdesobject geen breuk plaats vindt. Zij vormt een stevige
geslachtsidentiteit, omdat ze weet wat het betekent om vrouw te zijn. Ze hoeft zich
niet zo af te grenzen van de moeder en behoudt het vermogen zich in te leven in
een nabije ander.
Voor het jongetje ligt dat anders. Hij komt er achter dat hij niet van
dezelfde sekse is als zijn moeder en moet op zoek naar identificatiemodellen. Hij
moet uitvinden wat het betekent om een man te worden. En bij afwezigheid van een
mannelijke hechtingsfiguur (welke vader 'is' er ooit echt voor zijn gezin?) wordt hij
extra gevoelig voor de heersende mannelijkheidsbeelden die van buitenaf op hem
afkomen. Omdat daar weinig positieve beelden bij zijn, krijgt hij de neiging
'mannelijkheid' te definiëren als het tegendeel van vrouwelijkheid.
Een jongen, concludeert Chodorow en met haar Meulenbelt, vormt dus in
verhouding een zwakkere geslachtsidentiteit. Mannelijkheid is niet
vanzelfsprekend, moet steeds opnieuw bewezen worden, wordt afgezet tegen
vrouwelijkheid. Maar tegelijk leert de jongen zich beter af te scheiden en
ontwikkelt hij sterkere, minder doorlaatbare egogrenzen.
Het gevolg is dat vrouwen zich beter kunnen inleven in anderen dan
mannen, wat als voordeel heeft dat vrouwen geschikter zijn voor het onderhouden
van relaties. Nadeel is dat zij het vaak moeilijker hebben om grenzen te trekken en
te onderscheiden wat hun eigen behoeften zijn en wat die van een ander.
Mannen leren zichzelf meer zien als een individu met een zelfstandig ik.
Dat maakt dat zij in doorsnee meer moeite hebben met het toelaten van intimiteit.
Maar voor een maatschappelijke positie kan dat sterke ik-gevoel weer een voordeel
zijn.
Mannen hebben er dus groot belang bij dat er tussen de seksen verschillen
zijn, omdat de kern van mannelijkheid is dat het 'anders' is dan vrouwelijkheid. Dit
maakt mannen, aldus Meulenbelt, afhankelijk van vrouwen die bereid zijn het
sekseverschil mee te spelen. Naarmate vrouwen meer van mannen overnemen en
het verschil kleiner wordt, dreigt voor mannen identiteitsverlies. Meulenbelt: 'Het is
voor veel mannen moeilijk voorstelbaar, navoelbaar, dat er nog veel identiteit,
"zelf" overblijft wanneer die niet verbonden is met bewezen mannelijkheid.'
Dat is volgens de schrijfster een van de redenen waarom mannen minder
bereid zijn te 'moederen', waarom zij er niet tegen kunnen als hun vrouw meer
verdient dan zij, waarom zij moeite hebben met een vrouw als baas. En juist omdat
hun eigen ambivalentie over hun mannelijkheid hen zo dwars zit, maken zij het
vrouwen die succes willen hebben in hun werk zo moeilijk. Zij kunnen de gedachte
niet aan dat een vrouw bepaald werk even goed, misschien zelfs beter zou kunnen.
Anja Meulenbelt besteedt ook uitvoerig aandacht aan de vraag of vrouwen
er wel naar moeten streven succes te hebben in de maatschappij zoals die nu is. Zij
zet de opvattingen van de stroming binnen het feminisme die vrouwen en mannen
als gelijk ziet en daarom gelijke rechten claimt, tegenover de stroming die uitgaat
van verschillen waarbij het 'vrouwelijke' van een hogere orde zou zijn.
Het cruciale punt is volgens Meulenbelt dat in beide gevallen mannen de
norm blijven waaraan vrouwen zich aanpassen of waartegen zij zich afzetten. "En
uiteindelijk zal er pas wezenlijk iets veranderen wanneer niet alleen de vrouwen
veranderen maar wanneer er iets verandert tussen de seksen."
Chodorow en verder was oorspronkelijk een losse verzameling
lesmateriaal voor de Voortgezette Opleiding Vrouwenhulpverlening waar
Meulenbelt twintig jaar als stafdocent heeft gewerkt. Van dat lesmateriaal maakte
Meulenbelt een lezingencyclus, en die lezingen bewerkte zij weer tot dit boek.
Een gevolg is dat de schrijfster zich af en toe herhaalt. Een gevolg is ook
dat het boek anders dan een 'gewone' Meulenbelt niet echt provocerend en
prikkelend is.
Chodorow en verder is niet een boek voor wie zich op een zonnige
namiddag wil laten amuseren. Het is ook geen boek voor wie geïnteresseerd is in
revolutionaire ideeën over gender en de vraag of de begrippen mannelijkheid en
vrouwelijkheid niet helemaal moeten worden afgeschaft.
Maar wie nog eens wil nalezen wat de belangrijkste theoretici de laatste
decennia over de man-vrouwproblematiek hebben verkondigd en hoe hun ideeën
met elkaar in verband kunnen worden gebracht, heeft met Chodorow en verder een
goed overzicht in handen.
|