spacer
Over mezelf

Gloriejaren van een niet al te fanatieke actiegroep


Artikelen de Volkskrant

Email

Webdesign
  Jeanne Doomen
Marion Schiphorst

Eerst was er Joke Kool-Smit die met het artikel 'Het onbehagen bij de vrouw' (1967) haarscherp liet zien dat vrouwen werden achtergesteld. Toen kwamen er vrouwen en een paar mannen die vonden dat het hoog tijd werd voor een nieuwe club die iets aan het probleem ging doen. En oktober 1968 was de oprichting van Man Vrouw Maatschappij (MVM) een feit. Pas een goed jaar later floten Dolle Mina's op straat mannen na en nog veel later ontstonden de praatgroepen en trokken vrouwen zich terug in een Vrouwenhuis.

De historica Anneke Ribberink verdiept zich in Leidsvrouwen en zaakwaarneemsters in de vraag hoe het nieuwe feminisme in Nederland kon ontstaan en waarom MVM er zo vroeg bij was. Zij legt in deze studie, waarop zij op 27 oktober promoveerde, het accent op de periode 1968-1973, de gloriejaren van MVM. Bij haar theorievorming maakt zij gebruik van het zogenoemde generatieconcept. Een van Ribberinks stellingen is dat juist vertegenwoordigsters van de stille generatie (1930-1940) aan de wortels van het feminisme stonden en niet die van de protestgeneratie (1940-1955) zoals meestal wordt verondersteld.

Aan het eind van de jaren zestig werden vrouwen in toenemende mate met tegenstrijdigheden geconfronteerd. Ze mochten een baan hebben, maar hoe ze het regelden met de opvang van hun kinderen en het huishoudelijk werk, was hun eigen probleem. Ook mochten ze best meer onderwijs volgen. Maar niet te veel. En het mocht ook weer niet ten koste gaan van hun vrouwelijkheid. De pil was makkelijk verkrijgbaar en dankzij de seksuele revolutie werd erkend dat ook vrouwen seksuele gevoelens hadden.
Alleen deden ze er goed aan die vooral om te zetten in zich beschikbaar maken voor mannen. Logisch dat onder deze omstandigheden vrouwen tot de conclusie kwamen dat er iets helemaal niet deugde.

MVM deed het direct goed. Nieuwe leden stroomden toe, de ideeën vonden veel weerklank. Ribberink wijt het succes van MVM aan de combinatie van radicale ideeën, een gedegen structuur en een pragmatische instelling. De dertigers die in de top van de organisatie zaten waren goed opgeleid en representatief. Zij deden hun best om naar buiten toe niet al te fanatiek over te komen, hadden het aanvankelijk liever over emancipatie dan over feminisme en gaven de voorkeur aan lobbyen bij politieke partijen boven actievoeren en de straat op gaan.

De komst van Dolle Mina maakte dat MVM het roer omgooide. Men werd radicaler en deed soms zelfs met een actie mee. Een andere factor was het radicaal feminisme dat in 1971 Nederland had bereikt.
Mannen waren opeens geen figuren meer met wie je samen moest werken aan het doorbreken van rolpatronen, het waren onderdrukkers met wie een feministe die het oprecht meende met de strijd niet meer naar bed ging. Lesbisch zijn werd gepropageerd als 'politieke keuze'. Organisaties mochten niet meer hiërarchisch zijn, iedereen was gelijk, en leiders waren verdacht.

Het radicaal feminisme drong ook door tot MVM. Er kwam een voorzitterloos bestuur. En er werd wat zuur gekeken naar de mannen binnen de club. Vanaf september 1973 werden die ook niet meer in de top van de organisatie aangetroffen.

Anneke Ribberink noemt de geschiedenis van MVM 'een zegetocht'. Abortus werd gelegaliseerd, er kwam een wet Gelijk Loon voor mannen en vrouwen, MVM-sters rukten op in de politieke partijen (met name de PvdA), de Emancipatiecommissie werd ingesteld en er kwam een staatssecretaris voor emancipatiezaken. Soms geeft de promovenda toe dat een overwinning wellicht niet uitsluitend op het conto van MVM kan worden geschreven. De abortus-kwestie pakte men immers pas echt op nadat Dolle Mina daar met de Baas in eigen buik-acties landelijk aandacht voor had gevraagd.

Voor Dolle Mina kan Ribberink ook wel waardering opbrengen. Zij lijkt echter een rood waas voor de ogen te krijgen als het over het radicaal feminisme gaat. Het vertrek uit MVM van prima mensen (Hedy d'Ancona, Wim Hora Adema) wijt zij aan de opkomst van deze stroming die volgens haar 'slachtoffers maakte'. De sfeer binnen de organisatie werd erdoor verziekt en een tot dat moment verstandige MVM-ster als Anneke van Baalen raakte het spoor bijster en slaagde er ook nog in vlak voor haar vertrek door het uitkramen van wartaal beïnvloedbare vrouwen aan het twijfelen te brengen. Opmerkelijk is overigens dat de schrijfster wanneer zij aan het slot van haar boek opsomt waar MVM sporen in de samenleving heeft nagelaten, zij ook de verspreiding van het radicaal feminisme noemt en dan Anneke van Baalen op dit punt juist weer vol lof vermeldt. Alsof ze dan zelf is vergeten dat die juist omdat ze haar radicale ideeën in MVM niet kwijt kon, is opgestapt.

Leidsvrouwen en zaakwaarneemsters doet denken aan een uit de hand gelopen scriptie van iemand die zoveel materiaal had verzameld dat ze geen overzicht meer had. Een grote lijn is niet steeds te vinden. Vaak is het 'de een zegt dit, de ander dat' als een onderwerp aan de orde komt. 'Zoals al eerder is gebleken' is een geliefkoosde formulering van Ribberink die aangeeft hoe weinig structuur er in haar werk zit. En hoewel de historica in haar conclusie MVM de hemel in prijst, is uit het boek zelf niet goed op te maken waarom deze feministische organisatie nu eigenlijk zo bijzonder was.
Ook geeft de schrijfster zich wel erg gretig over aan ongefundeerd gepsychologiseer als zij het handelen van bekende MVM-sters probeert te doorgronden. Hierbij moet vooral Joke Smit (in het register overigens alleen terug te vinden onder de naam van haar ex-man) het ontgelden.

Het ophangen van het boek aan het generatieconcept doet geforceerd aan. Alsof iemand heeft gezegd: op alleen feiten aaneenrijgen kun je niet promoveren, stop er dus ook iets in dat voor een theorie kan doorgaan. Hoe gewrongen deze invalshoek is, blijkt aan het slot van het boek waar Ribberink concludeert dat de 'stille' generatie eigenlijk helemaal niet 'stil' was omdat er een 'specifieke groep vrouwen' uit die generatie zich 'als groep onderscheidde van haar sekse- en generatiegenoten'.
Daarmee is hoogstens bewezen dat deze vrouwen bijzonder waren, waarna je je zou kunnen afvragen of zij qua achtergrond of karakter iets gemeenschappelijk hadden. Maar uit de constatering dat een aantal individuen uit een groep zich positief of anderszins onderscheidt de conclusie trekken dat de hele groep dus eigenlijk anders was, lijkt me geen voorbeeld van logisch denken. Om het vriendelijk uit te drukken.

JEANNE DOOMEN

naar begin Anneke Ribberink: Leidsvrouwen en zaakwaarneemsters, Een geschiedenis van de aktiegroep Man Vrouw Maatschappij (MVM) 1968-1973.
Hilversum Verloren; 352 pagina's; f 59,00.
ISBN 90-6550-599-7.

Copyright © Jeanne Doomen.
Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden
voor persoonlijk gebruik.