


Jeanne Doomen
Marion Schiphorst
|
Vierentwintig jaar heeft Nan het leven gedeeld met een
vriendin wanneer die vrouw een ander leert kennen. Nan heeft dat eerst
niet in de gaten en op een avond zegt de vriendin: 'We moeten met elkaar praten,
want ik ga bij je weg.' Nan: 'Toen vloog ik naar de keuken en toen heb ik gegild en
toen kwam ze naar me toe, toen zei ik, "dan ben jij een lesbienne". En toen
moest ze zo vreselijk lachen. Ik zei, "jij bent lesbisch", toen zei zij, "ja natuurlijk".' Ik dacht, ik hou van haar en zij van mij, maar ik ben geen lesbienne, want lesbienne verstond ik onder allemaal vrouwen die allemaal met vrouwen omgingen. Ik wist dat niet, want wat had ik
ooit gehoord, over seks wist ik toch niets verder.'
Voor Nan, geboren in 1929, zijn lesbische vrouwen dus vrouwen van wie de seksuele belangstelling voortdurend naar wisselende vrouwen uitgaat. 'Maar toen dacht ik, maar dat ben ik niet. Ja, ik heb wel dat als ik naar een arts moet dat ik om een vrouwelijke arts vraag. Pianoles wil ik van een vrouw hebben, Engels wil ik van een vrouw hebben. Maar dan denk ik altijd van de kerk mocht dat nooit, van God mocht dat niet, ik heb dat niet in me, ik heb toch nooit alles slecht gedaan, ik
hield alleen maar van haar.'
Een stilzwijgende samenzwering is de titel van het onderzoek waarop Judith Schuyf donderdag promoveerde aan de Rijksuniversiteit Leiden. Zij analyseert hoe de leefwereld, en het zelfbeeld van lesbische vrouwen in Nederland zich tussen 1920 en 1970 hebben ontwikkeld. De beperking in de tijd is gekozen omdat na 1970 onder invloed van het feminisme en de homobeweging de lesbische levensstijl en de visie van lesbische vrouwen op
zichzelf ingrijpend zijn veranderd.
Schuyf raadpleegde voor haar studie de wetenschappelijke literatuur over (de
oorzaak van) homoseksualiteit, verdiepte zich in de wijze 'Waarop lesbische vrouwen in romans werden gepresenteerd en sprak met zeventien vrouwen die de bewuste periode hebben meegemaakt.
Ook ging zij na 'in hoeverre het gewraakte artikel 248bis uit het Wetboek
van Strafrecht (dat homoseksuele contacten met minderjarigen verbood) consequenties heeft gehad voor vrouwen.
Het boek heet Een stilzwijgende samenzwering omdat al het verzamelde
materiaal één gemeenschappelijk kenmerk had: de wijze waarop tot 1970 over
homoseksualiteit en dan vooral over homoseksualiteit onder vrouwen het stilzwijgen werd bewaard. In de maatschappij waren lesbische vrouwen onzichtbaar en ook in het in 1946 opgerichte COC was geheimhouding de norm.
Voor 1960 was het volgens Schuyf 'vrijwel ondenkbaar' dat vrouwen openlijk tegen hun ouders of vrienden vertelden dat ze lesbisch waren. Uitten zij hun seksuele voorkeur te opvallend op het werk of in hun woonsituatie, dan liepen zij een reëel risico baan of kamer kwijt te raken. Slechts tachtig vrouwen zijn daadwerkelijk vervolgd op basis van artikel 248bis, maar van de gedachte dat strafrechtelijke vervolging mogelijk was, moet een enorme dreiging zijn uitgegaan. Het was ook bepaald niet ongebruikelijk dat een vrouw door de politie op het matje werd geroepen, omdat de ouders van haar -jongere- vriendin bezwaar maakten tegen hun relatie.
Lesbische vrouwen leerden hoe zij hun gevoel van 'anders' zijn konden benoemen door het lezen van boeken als The Well of Loneliness van Radclyffe Hall en probeerden hun identiteit vorm te geven aan de hand van spaarzame rol modellen. Zij voelden zich alleen veilig bij andere lesbische vrouwen en maakten gebruik van bepaalde stijlmiddelen, zoals specifiek lesbische kleding (de pantalon, het mantelpak), om aan gevoelsgenotes zichtbaar te maken dat men eveneens 'tot de club behoorde'.
Op basis van de levensverhalen - veelvuldig wordt geciteerd uit het nog steeds fascinerende Verkeerde Vriendschap (1985) van Anja van Kooten Niekerk en Sacha Wijmer - concludeert Schuyf dat in de periode van 1920 tot 1970 ten minste zes lesbische leefstijlen bestonden. De oudste is die van de vrouwenvriendschap: twee vrouwen die een lange
periode in hun leven samenwoonden en vaak ook samenwerkten. Zij zagen zichzelf niet als seksueel afwijkend en homoseksuele activiteit was geen in het oog lopend onderdeel van hun leven.
De vrouwenvriendschap dateert uit de achttiende eeuw, evenals de leefstijl die naar Engels voorbeeld de intermittent lover of women is gedoopt. Deze stijl wordt geleefd door vrouwen die zich naar de buitenwereld presenteren als heteroseksueel en soms eens iets met een vrouw hebben. Dergelijke contacten zijn juist wel seksueel gekleurd. Schuyf schat dat
er in 1968 112 duizend van dergelijke vrouwen in Nederland rondliepen. Over hun leven is echter weinig bekend, omdat zij hun lesbische contacten zoveel mogelijk geheim wilden houden.
De butch/femme-leefstijl ontstond met de opkomst van de lesbische uitgaanscultuur, zo rond de Tweede Wereldoorlog. De butch kleedde en gedroeg zich mannelijk, de femme vrouwelijk. Zij waren meestal afkomstig uit de middenklasse en
pasten zich, aldus Schuyf, aan de heersende normen en waarden aan, bijvoorbeeld door het overnemen van de opvattingen over 'huwelijkstrouw' in relaties.
Dit laatste gold niet voor hun tegenhanger, het bar/dancing-type, waarvan
de leden zich zeer vrouwelijk en modieus kleedden. In hun kring werd regelmatig
van partner gewisseld.
Schuyf's slotconclusie is dat in de door haar onderzochte periode de vormgeving
van homoseksualiteit direct werd beïnvloed door wat erover werd geschreven, terwijl de vormgeving ook weer het geschrevene beïnvloedde. Het vormgeven van homoseksuele gevoelens was niet alleen een kwestie van doen, maar vooral ook van kijken en lezen. De beeldvorming die zo werd verkregen, werd steeds opnieuw vormgegeven, tot die paste in
het zelfbeeld van de vrouw in kwestie.
Sommigen konden daarmee binnen de beperkingen van de sociale controle creatief omgaan, anderen zagen geen kans de stilzwijgende samenzwering te doorbreken of bleven ondanks de eigen geleefde werkelijkheid zelfs voor zichzelf ontkennen dat zij echt 'zo' waren.
Schuyf geeft een interessant beeld van deze ontwikkeling. Het is begrijpelijk dat zij, om een grens te stellen aan haar materiaal, de periode na 1970 niet meer bij haar onderzoek heeft betrokken. Voor de lezer die zich afvraagt hoe het tegenwoordig in lesbisch Nederland gaat en met name hoe oudere vrouwen tegen het huidige lesbische leven aankijken, is dat jammer.
Daarom tot slot een citaat uit Verkeerde Vriendschap van een vrouw (1913) die tot 1978 als docente aan een hogere beroepsopleiding in Amsterdam werkte en daar nooit liet merken dat zij van vrouwen hield. In 1985 bezocht zij een schoolfeest van haar voormalige werkkring. 'Het is daar nu helemaal Sodom en Gomorra. Ik wist niet wat ik zag, één en al vrijpartij. Twee hoofden van afdelingen, vriendinnen van elkaar, met de armen om elkaar heen. Ik dacht: nou, ben ik daar al die tijd zo stil om geweest.' |