spacer
Over mezelf

Het krommen van de herinnering


PSYCHOLOGEN ONDERZOEKEN DE VALKUILEN VAN HET RECHT
Artikelen de Volkskrant

Email

Webdesign
  Jeanne Doomen
Marion Schiphorst

'Hebt u indertijd de tv-film gezien van het moment waarop het vliegtuig het flatgebouw raakte?', vroegen onderzoekers een jaar na de Bijlmerramp. De meerderheid van de proefpersonen beantwoordde de vraag bevestigend. Vervolgens achtten de meesten zich ook nog in staat vragen over bijzonderheden van deze beelden te beantwoorden. Knap, want deze beelden zijn nooit op de televisie te zien geweest. Maar de vraagstelling zette de ondervraagden zonder dat zij het merkten volledig op het verkeerde been.

Suggestieve vraagstelling is een van de onderwerpen waarover rechtspsychologen zich buigen. De rechtspsychologie is het onderwerp van Het hart van de zaak, een bundel artikelen onder redactie van P.J. van Koppen, D.J. Hessing en H.F.M. Crombag. Van Koppen en Crombag stelden eerder met WA. Wagenaar in Dubieuze zaken (1992) aan de kaak hoe rechters vaak tekortschieten bij de beoordeling van het bewijs in strafzaken. Dit nieuwe boek is bedoeld om het hele terrein waarop rechtspsychologen actief zijn, te laten zien.

Het recht en het juridisch systeem trachten het gedrag van individuen te beïnvloeden door activiteiten die bij uitstek mensenwerk zijn, schrijven de redacteuren in de inleiding. De psychologie houdt zich precies met die terreinen bezig: hoe mensen zich gedragen en welke invloeden daarop bestaan. Maar ook: hoe mensen vinden dat anderen zich moeten gedragen.

De rechtspsychologie omvat daarom in principe het hele gebied van het recht en het juridisch bedrijf. Tot nu toe is het meeste onderzoek gedaan naar het functioneren van getuigen. Zowel in civiele als in strafzaken vormen verklaringen van getuigen het meest voorkomende bewijsmiddel. De rechtspsychologen willen niet betogen dat mensen per definitie slechte waarnemers zijn. Een signalement kunnen zij bijvoorbeeld best opgeven. Alleen is dat signalement meestal globaal, zodat het op veel personen betrekking kan hebben.

Het probleem zit ook meer in het vasthouden en later nog eens reproduceren van de herinnering. Mensen praten met anderen over wat er is gebeurd, ze wisselen met medeobservanten ervaringen uit en kunnen na verloop van tijd niet meer uit elkaar houden wat hun eigen herinnering is en wat er geleidelijk via andere kanalen aan is toegevoegd.

Om het echte verhaal boven water te krijgen, moet de politieman of vrouw een begenadigd interviewer zijn, die zich ervoor hoedt door suggestieve vragen (zoals die over de Bijlmerramp) de getuige een versie van de werkelijkheid te ontlokken die niet de zijne is.

Getuigenverklaringen zijn van groot belang bij het rond krijgen van een zaak, maar niets is mooier dan een bekentenis van een verdachte. Wat zou het daarom prachtig zijn als een rechercheur aan uiterlijke kenmerken (wegkijken, haperend spreken, opvallende armbewegingen of juist stram stil zitten) kon zien of een verdachte al dan niet de waarheid sprak. Helaas is het niet zo eenvoudig.

Uit een onderzoek uit 1996 blijkt dat zelfs mensen van wie je vanwege hun beroep zou verwachten dat ze handigheid hebben in het doorzien van leugens (politiemensen, douaniers, gevangenenbewaarders) niet beter scoorden dan een willekeurige groep studenten. Wie verreweg het beste inzicht hadden in de relatie tussen nonverbaal gedrag en misleiding, waren gevangenen. De verklaring zou volgens de onderzoekers kunnen zijn dat in de kringen waarin criminelen verkeren, bedrog en misleiding veel frequenter voorkomen en een veel belangrijker rol spelen dan in andere delen van de maatschappij.

Er is veel nagedacht over hoe een verdachte het best tot een bekentenis is te krijgen. Een bekende verhoormethode is die van Inbau, waarbij de verdachte bijvoorbeeld wordt verteld dat bekennen een mildere straf zal opleveren, dat er toch al genoeg bewijs is, dat een mededader al heeft bekend, dat hij door een getuige als de dader is aangewezen, ook als dat allemaal onzin is. De Zaanse verhoormethode bevat veel elementen van deze benadering.

A. Vrij noemt als bezwaren tegen deze methode dat hij niet alleen onethisch is, maar vooral dat de methode tot valse bekentenissen kan leiden. Om jezelf valselijk van iets te betichten, hoef je namelijk niet per se psychisch labiel te zijn. Vrij wijst op een experiment waarin onderzoekers mensen probeerden ervan te overtuigen dat zij iets hadden gedaan, hoewel dat feitelijk niet het geval was. Proefpersonen werkten aan een computer die het op een gegeven moment begaf. Zij werden ervan beschuldigd dat zij een bepaalde knop hadden aangeraakt. Alle proefpersonen ontkenden.

Vervolgens werden zij geconfronteerd met een 'getuige die vertelde dat hij had gezien dat de proefpersoon de toets wel degelijk had beroerd; 65 procent gaf vervolgens toe dat ze de toets inderdaad hadden aangeraakt tegen 12 procent van de proefpersonen die niet met de 'getuige waren geconfronteerd. Mensen kunnen zich dus blijkbaar schuld inbeelden als zij worden geconfronteerd met vals bewijs.

Door het boek heen wordt regelmatig kritiek geleverd op rechters die bewijs krijgen voorgelegd en daarmee volgens verschillende auteurs te kritiekloos omgaan. Dat komt voornamelijk doordat zij zich niet realiseren aan welk bewijs ze welke waarde moeten toekennen. Bovendien gaan zij daarbij vaak uit van verkeerde vooronderstellingen, zoals dat een zelfverzekerde getuige waarschijnlijk de waarheid spreekt en dat politieambtenaren betere waarnemers zijn dan gewone mensen. Ook nemen zij te snel aan dat het door de officier van justitie gepresenteerde verhaal waar is en verzuimen zij daarom door te vragen - maar dat was ook al het thema van Dubieuze zaken.

In het bijzonder de bijdragen over de getuige, de verdachte en de waarde van het bewijs in strafzaken maken Het hart van de zaak boeiend. Artikelen over 'de schuld krijgen', het voorkomen van wanbetalen, omgangsregelingen, de uitkomst van de zaak voorspellen en de betekenis van civiele vonnissen geven weliswaar aan hoe divers de onderwerpen zijn waarin rechtspsychologen zich verdiepen, maar daarin lijkt het hart van de psychologen zelf ook niet te liggen.

JEANNE DOOMEN

naar begin P.J. van Koppen, D.J. Hessing, H.P.M. Crombag (redactie): Het hart van de zaak - Psychologie van het recht.
Gouda Quint; 806 paginas; f 69,95 (gebonden), f 49,95 (ingenaaid).
ISBN 90 387 0571 9;
ISBN 90 387 0525 5.

Copyright © Jeanne Doomen.
Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden
voor persoonlijk gebruik.