Meer dan 90.000 vrouwen en mannen bezochten in de zomer van 1898 de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Ze keken naar vrouwen die een beroep uitoefenden, ze bezichtigden voorwerpen die door vrouwen waren geproduceerd, ze namen deel aan congressen over vrouwenonderwerpen. Nooit eerder waren vrouwen zo 'zichtbaar'.
Er is al veel geschreven over de Nationale Tentoonstelling. Met Feministische Openbaarheid presenteren de geschiedkundigen Maria Grever en Berteke Waaldijk een integrale studie. In een van veel illustraties voorzien boekwerk belichten zij hoe het idee voor de tentoonstelling vorm kreeg, wat er op de tentoonstelling werd geboden en wat eruit is voortgevloeid.
De negentiende eeuw was de eeuw van de tentoonstellingen. Eerst waren het de producten van nijverheid die werden getoond. Toen die volop in winkels en warenhuizen te bezichtigen waren, werd het kermisachtige vermaak dominanter. Naast voorwerpen werden steeds vaker 'werkende' en 'wonende' mensen - dikwijls afkomstig uit de koloniën - onderdeel van de tentoonstellingen.
De initiatiefneemsters tot de tentoonstelling van 1898 richtten zich aanvankelijk alleen op vrouwen uit de middenklassen. Er moesten meer beroepen voor hen toegankelijk worden gemaak en hun opleiding moest worden verbeterd. Niet lang daarna werd de doelstelling uitgebreid tot de verbetering van lonen van vrouwen en de vermindering van 'vele misstanden' in landbouw en industrie.
De tentoonstelling bestond grotendeels uit afdelingen waar vrouwen aan het werk waren. Bezoeksters konden zien hoe vrouwen kaas bereidden, sigaren maakten, tapijten weefden. Aan de muur hingen leuzen als 'Arbeid is het loon waard', 'Hebt uwen arbeid lief' en 'Wie niet werkt zal niet eten'. De vrouwen die op de afdelingen werkten waren voor de bezoeksters geen mede-vrouwen, maar objecten om naar te kijken. Om hierover geen enkel misverstand te laten bestaan was er een bordje met 'Het is verboden met de meisjes (werksters) te spreken' aangebracht.
De organisatrices wilden Nederlandse ondernemers laten zien dat vrouwen 'accurater, netter, vlugger, fijner van hand en vinger, geregelder, we inig onderhevig aan drankmisbruik en plooibaarder' waren dan mannen. De lofzang op de arbeidsters gingen steevast gepaard met de vermelding dat vrouwelijk toezicht zulke goede gevolgen had. Vrouwen uit de arbeidersklasse zouden echter niet over het noodzakelijke overwicht beschikken. 'Beschaafde' vrouwen moesten daarom als toezichthoudsters worden aangesteld.
De organisatie was zo gefixeerd op de openstelling van alle beroepen voor vrouwen dat ze de arbeidsomstandigheden bij de demonstraties vaak te gunstig voorstelde. Het was ook geen toeval dat men besloot de slechte werkomstandigheden en de lage lonen niet bij de afdeling Industrie te behandelen, maar die onder te brengen bij Maatschappelijk werk. Wantoestanden presenteerde men daar ook niet als uitvloeisel van de kapitalistische productieverhoudingen, maar als een vorm van menselijk leed waartegen 'de vrouw' ten strijde kon trekken. Welgestelde vrouwen wilde men zo 'wakker schudden'.
Arbeidersvrouwen werden niet uitgenodigd om op te treden en in te grijpen. Ze waren onder de bezoeksters overigens ook in de minderheid. De enige keer dat zij wel nadrukkelijk optraden, als woordvoersters op het Dienstbodencongres, had menige bezoekster het er maar moeilijk mee.
Veel burgerdames, die gewend waren hun personeel naar de keuken te sturen als hun houding hun niet aanstond, vonden het onverdraaglijk te moeten luisteren hoe een dienstbode in het openbaar haar klachten verwoordde. Toen vanuit de zaal ook andere 'gedienstigen' het woord namen en grieven over hun werkgeefsters uitten, was voor sommige dames de maat vol en verlieten zij de bijeenkomst.
Een vijfde deel van het terrein werd in beslag genomen door Kampong Insulinde waar men kon kennis maken met Javaanse dans en muziek. De bezoekers dachten te kijken naar een andere wereld en cultuur en zagen niet wat er werkelijk te zien was: mannen en vrouwen die op basis van een slecht arbeidscontract twee jaar door Europa trokken om voorstellingen te verzorgen.
Ook tijdens de congressen bleek dat men in de 'inlandse' vrouwen geen bondgenoten of geestverwanten zag. De spreeksters beschouwden hen als objecten van zorg die net als de Nederlandse arbeidsters veel baat konden hebben bij contact met 'beschaafde' vrouwen. Die konden tot voorbeeld dienen en inheemse vrouwen helpen zoals zij in Nederland 'gevallen vrouwen en meisjes' hielpen. Zo werden het stand- en klassenbesef uit het moederland argumenten voor meer vrouwelijke invloed in het beheer van de koloniën.
Tijdens de congressen vlogen de socialisten en de feministen elkaar in de haren over de vraag wie het recht had te spreken over de belangen van de vrouwen uit de arbeidersklasse. De sociaal-democraten vonden dat wie niet zelf uit de arbeidersklasse kwam en toch namens arbeiders wilden spreken, een politieke overtuiging moest uitdragen die haar of hem met het proletariaat verbond. Bovendien moest men door kennis en inzicht het gebrek aan ervaringen compenseren.
De feministen hoopten vrouwen door verontwaardiging over maatschappelijke wantoestanden in beweging te brengen. Door sociale problemen te definiëren als 'zedeloosheid' en 'treurige toestanden' kon men ze bespreken zonder zich op het gebied van de klassentegenstellingen te begeven.
De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid had gevolgen. Verschillende fabrikanten stelden opzichteressen in hun fabrieken aan, de regering benoemde een adjunct-inspectrice van Arbeid. Nieuwe organisaties en instellingen werden opgericht zoals de Algemene Nederlandsche Dienstbodenbond. Het geld dat na de sluiting van de tentoonstelling overbleef werd geïnvesteerd in het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid dat als permanente bewaker van de arbeidspositie van vrouwen zou gaan functioneren.
En tenslotte werd met de opzet van de tentoonstellingsorganisatie in plaatselijke comités de grondslag gelegd voor een nationaal netwerk dat vanaf 1898 als Nationale Vrouwenraad functioneerde en deel uitmaakte van de Internationale Vrouwenraad.
Feministische openbaarheid is een vlot geschreven en mooi geïllustreerd boek. Het geeft een levendig beeld van een vrouwententoonstelling waarin vertegenwoordigsters van uiteenlopende stromingen leerden met elkaar samen te werken in het belang van een hoger doel: de erkenning van het privilege van deze voorhoede om te leiden, te verheffen en te redden. Het maakt ook pijnlijk duidelijk dat het nog geruime tijd zou duren voordat deze 'beschaafde' vrouwen het voor elkaar kregen ook arbeidsters, dienstboden en vrouwen uit andere culturen te zien als 'een van ons'.
|