| Het is beroerd gesteld met de rechtspraak in Nederland. Dossiers raken zoek en brieven komen niet of niet op tijd ter plaatse. Rechters, officieren van justitie en advocaten leveren slecht werk door eigengereidheid, onbegrip, geestelijke luiheid en arrogantie.
Deze boodschap draagt Jac. van Veen uit in Journalist in de rechtszaal. Het is een bundeling van stukjes die hij de afgelopen jaren schreef voor Vrij Nederland en het Algemeen Dagblad.
Van Veen bekritiseert de wijze waarop magistraten de voor hen terechtstaande burgers
bejegenen. Hij maakt zich druk over de undercover agenten, zet vraagtekens bij de tbr en
meent dat wie tolkt bij de politie de vreemdeling meer dan eens tracht aan te zetten tot een
bekentenis. Bovendien is hij ervan overtuigd dat de politie zich regelmatig machtswellustig
gedraagt, dat een militaire rechtspraak in deze tijd niet thuishoort en vindt hij dat rechterlijke
uitspraken voor het publiek moeten worden gemotiveerd.
Zijn kritiek is vaak terecht. Er worden nogal wat fouten gemaakt hij justitie. De politie
overschrijdt inderdaad bevoegdheden. Advocaten blunderen wat af. Het strafrecht lijkt zeker
tegenover ernstige en/of hardnekkige criminelen een machteloos instrument. Dat vindt Van
Veen, en hij is niet de enige. Wat hem uniek maakt, is de wijze waarop hij zijn kritiek
presenteert.
Hij hanteert daarvoor al sinds de jaren zestig, toen hij in Het Parool de rubriek "De rechten van de mens, de mensen van het recht" introduceerde, dezelfde methode. Hij bezoekt rechtszittingen en praat met advocaten. Hij signaleert onrecht en bericht daarover op anekdotische wijze. Hij vertelt verhaaltjes. Veel overgangen als: "Dit doet mij denken aan ..", "Zo zag ik een.." of " Zo zei mij eens". Veel "Nou, en toen", "Ach" en "Tja".
Het meest kenmerkend voor de Van Veen-aanpak is echter zijn noemen van namen. In 1971,
toen zijn eerste bundel verscheen, had dat iets gewaagds. De eerbied voor de rechterlijke
macht was nog groot en pas kort was doorgedrongen dat in die togas ook individuen zitten
die als mens hun werk goed of slecht kunnen doen. Maar in 1988 zijn rechters en officieren van
justitie zelf minder bang zich te profileren en zijn we ons ervan bewust dat hun meningen en de
manier waarop zij op de zitting hun werk doen, kunnen verschillen.
Het noemen van namen krijgt daarmee een andere functie. Wij zien dan dat de journalist-in-de-rechtszaal Van Veen beschikt over een vast rijtje verwerpelijke respectievelijk
prijzenswaardige personen die zich ophouden in de Paleizen van Justitie. Bad guys zijn voor hem bijvoorbeeld de rechters S. Kootte (Den Haag), H. Talsma (Almelo), officier van justitie W. Franken van Bloemendaal (Amsterdam), en de advocaten-generaal P. Bos (Den Haag) en J. de Bruin (Amsterdam). De good guys zijn vooral advocaten. J. Boone (Utrecht) is good guy nummer één. C. Korvinus (Amsterdam) en P. Doedens (Utrecht) scoren ook hoog.
Mooi vindt Van Veen het als de good guys op een rechtszitting hun natuurlijke vijand de officier of die met argwaan te bekijken figuur, de rechter, eens goed van katoen geven. "Pittige taal", zo prijst hij advocaat Korvinus. "Het is lang geleden dat ik een advocaat tijdens het verhoor een politieman zozeer in het nauw heb zien drijven" (over Boone).
En: "Zij nam daarbij geen blad voor de mond" (over advocate J. Bakker-Weesing), "ook niet als de procedure leidde tot behandeling op topniveau en zij moest pleiten voor de Hoge Raad." Uit zo'n opmerking proef je hoe gezagsgetrouw Van Veen zelf nog naar de instituties kijkt.
De manier waarop Van Veen het gebeuren in de rechtszaal beschrijft doet sterk denken aan
een spel. Cowboys and indians bijvoorbeeld. Of cops and robbers. Zo schrijft hij wanneer hij meemaakt dat tijdens één politierechterzitting tweemaal een vrijspraak valt: "En toen kreeg op deze morgen het Openbaar Ministerie opnieuw een nederlaag te incasseren." Zou hij eigenlijk bedoelen: "Het OM staat 0-2 achter"? Je gaat het haast denken.
Journalist in de rechtszaal is ideale lectuur voor wie het strafrecht ervaart als een spannend jongensboek waarin booswichten en helden nog bij hun echte naam worden genoemd ook. Wie het recht serieuzer neemt, zal de Van Veen-benadering minder aanspreken. |